Columns




artn.jpg

And that’s the way it is.

  
Hebben jullie het laatst gelezen? Vast wel. Walter Kronkite, 92,  is overleden.
Met de regelmaat van de klok gaan er mensen om ons heen dood. Niks bijzonders eigenlijk.
Simon Vinkenoog haalde op een haar na zijn 81e verjaardag, hij is ook al niet meer.
Remco Campert, onder meer een begenadigd dichter, is bijna jarig, 80 wordt hij.
Zelfs zijn laatste snik zal een adembenemend gedicht zijn, voorspel ik je. Ik zelf ben
nog niet zover, hoor. Heb nog maar koud mijn eerste hartinfarct achter mijn kiezen,
maar toch. Ik krab me in deze fase van het leven regelmatig achter het oor.
Pak Warno, een oud Kniller en laatstelijk bekend als de Indische troubadour
uit Heerenveen, tidak ada lagi. Er is geen Pasar Malam Besar meer
in dit land. Die was toch voor velen een baken in het jaar. Ergens tussen Hemelvaart en
Pinksteren had je een date op het Malieveld. Afgelopen uit. Is dit een teken aan de wand?
   Heeft het nog wel zin, vraag ik mij steeds vaker af, terwijl ik me somberend achter het oor
krab, heeft het nog wel zin, om mij langer druk te maken over Indische cultuur en
het voortbestaan ervan hier in Holland? Al bossen af en toe, weet je.  De Indische cultuur
bestaat net zo min als de Indo, volgens onze kroonprinses en heeft daarom alleen al
nauwelijks recht op welke vorm van voortbestaan dan ook, somber ik voort. De Indische
jeugd van tegenwoordig moet het voortaan maar doen met de wetenschap, dat
tempo doeloe echt voltooid verleden tijd is. “That’s the way it is”.
   Of heb ik het mis?
Nog niet zoheel erg tempo doeloe is bijvoorbeeld , dat
de vereniging INOG, van de Indische naoorlogse generatie, binnenkort 20 jaar bestaat.
Je moet maar weten welke INOG, want er zijn er wel drie, geloof ik. Indischer kan het
bijna niet. Tevergeefs waarschuwde William Shakespeare al, hij heeft nog zo gezegd:
“Inog is inog”. Of ik daar feestelijk leuk wil komen doen, met eenIndisch sprookje
of een quiz. De ‘Masoep sadjaas’ van Pelita in Amstelveen, de oergezellige koempoelans,
hebben binnenkort ook een lustrum, 10 jaar pas bestaan zij. Ook daar wordt mij gevraagd
leuk te komen doen. Samen met Anneke Grönloh nota bene.  
   Er zit misschien toch niets anders op, voel ik aan mijn theewater, dan tot mijn laatste snik
bezig te blijven met Indische cultuur en aanverwante zaken. Doorgaan tot aan het gaatje.
Wat dat betreft kan ik een voorbeeld nemen aan si Simon. Zijn been al draf, hij bleef
door maar lachen, die vent. Dol op het leven in plaats van bang voor de dood.
Pak Warno idem dito, niet te stuiten was die kerel met zijn gitaar. Wij zullen hem
gaan missen. Wellicht kunnen wij ter herinnering aan hem een passend monument
bouwen, daar in Heerenveen.
   Zo is er een initiatief tot een ‘Indisch Welkomstmonument’ in Amsterdam. Geloof je?
“Dat monument doet recht aan de Indische en Molukse immigranten, die zich vanaf
de jaren 50 van de vorige eeuw in de Westelijke tuinsteden hebben gevestigd en
wier komst van onschatbare waarde is geweest voor de ontwikkeling en emancipatie
van dat deel van Amsterdam”.
Aldus verklaarden de initiatiefnemers tijdens de uiterst gezellige tuinpasar ‘Jembatan’ op
een zomerse zondagmiddag in Amsterdam West. Ik was daar die dag als van ouds bij.
Dol op de warme Indische gezelligheid daar en heerlijke sateh kambing.
   Garuda Indonesia vliegt binnenkort weer naar Europa. Nah, dat is pas goed nieuws.
Eindelijk kan president Susilo Bambang Yudhoyono met goed fatsoen hier op staatsbezoek komen.
En wij kunnen op onze beurt non-stop van Schiphol naar Jakarta,
naar Bali, of waar maar. Wacht even, zijn zij tegenwoordig weer te vertrouwen,
die lui van Garuda? Eerst niet en nu opeens wel. Oom Walter kon je altijd vertrouwen,
die kon je vertrouwen als je kontzak. “And that’s the way it is”, zei hij er telkens
voor de zekerheid bij. Zoals mijn moeder haar gedurfde veronderstellingen steevast
afsloot met de woorden “Heus, geloof me vrij”.
 


Verdriet gaat altijd over
Verdriet gaat bijna altijd over, over iets wat niet meer terugkomt. Op de kade speelde
een militaire kapel het Wilhelmus. Mensen, van wie ik de meeste niet kende,
zwaaiden ons uit. De trossen werden los gegooid, langzaam zette de boot zich
in beweging en stoomde vastberaden weg. Terwijl de kapel driftig doortetterde.
Ik wist dat de boot langs ons huis, dat aan het strand lag, zou varen.
Ongeduldig en gespannen wachtte ik dat moment af.
‘Kijk daar’, wees mijn vader. Terwijl het huis in de verte langzaam aan ons
voorbijtrok, kroop er een traan over mijn wang. Ik wist zeker, alhoewel
niemand mij het met zoveel woorden had gezegd, dat ik nooit meer naar dat huis
terug zou gaan. Verdriet maakte zich meester van een 7-jarig jongetje
op reis naar Holland.
Veel eerder dan gepland. Indische jongens gingen over het algemeen pas naar Holland
tegen de tijd, dat zij wilden studeren. Eenmaal in Holland, ging ik dus eerst gewoon
naar school. Op de middelbare school, waar ik mij nauwelijks met leren bezighield, omdat ik het nu eenmaal veel te druk had met belangrijker zaken, veroverde ik
een alleraardigst vriendinnetje.
Maar zoals dat meestal gaat, raakte die verkering vroeg of laat uit. Te vroeg,
als ik het me goed herinner. Ik hoorde ook toen het Wilhelmus door mijn hoofd gonzen,
Laura zwaaide nog een laatste keer naar me, toen ik omkeek, er biggelde een traan over mijn wang. Moet nog altijd huilen als het Wilhelmus wordt gespeeld
sinds die keer aan de kade. Of Irene Wüst nu de 1500 meter wint of AZ uit van Manchester United.
”Verdriet gaat bijna altijd over”, verzekerde mijn moeder me, terwijl ze een troostend kusje op mijn voorhoofd drukte. “Het leek me zeker een geschikt meisje,
maar zo uniek is zij nou ook weer niet”, voegde Mama daar nog aan toe.
Soms helpt troost bitterweinig. Ben nooit naar Indonesië teruggeweest.
Niet in de laatste plaats omdat ik me vliegangst had ingebeeld. Tot ik vorig jaar november onverwachtwerd uitgenodigd om een 8-daagse trip door Indonesië mee te maken. Inmiddels net een echte Hollander geworden, kon ik deze geheel verzorgde en gratis reis natuurlijk niet afslaan.
Ik zette mij dapper over de ingebeelde vliegangst heen. Ben daar en passant geheel
van genezen, sinds ik die week wel zes keer in een vliegtuig ben gestapt. De reis werd
een onvergetelijke belevenis en ik kon me wel voor mijn kop beuken,
dat ik niet veel eerder ben gegaan. Had kans gezien 56 jaar lang mijn heimwee te bedwingen, zonder een traan te laten.
Ik voelde me in Indonesië ontvangen als de verloren zoon. En ik was het niet vergeten,
het land is onvergetelijk mooi, het eten overheerlijk en de mensen hartelijk.
De armoede vaak schrijnend daarbij. Met pijn in mijn hart en veel te snel ben ik weer huiswaarts gekeerd. Een paar weken na mijn terugkomst uit mijn geboorteland, bijna kerstmis, ontving ik onverwacht een heel leuk mailtje. Van mijn allereerste meisje.
Nee niet die van de zangvereniging, maar (ja juist) die van het A.Roland Holst College.
Ja illah, ze was inmiddels al veertig jaar met iemand anders. Ik kan me wel voor mijn kop beuken, dat ik haar zelf nooit eerder heb gezocht. Want zij is nog onvergetelijk mooi, haar lippen overheerlijk en haar mailberichten allerhartelijkst.
Tamelijk uniek mag ik wel zeggen. Was van plan haar nog vaak op te zoeken, zoals ik ook een serie reisjes naar Indonesië op het programma heb gezet. Indische jongens zijn langzaam, maar zeker. En misschien, misschien ga ik er voorgoed heen, droom ik. Verdriet gaat soms toch ook over iets wat in je leven geheel onverwacht terugkomt.
Het is wel een onrustig land Indonesië. Aardbevingen, overstromingen, vlieg- en scheepsrampen. Gelukkig heb ik geen vaarvrees. Mijn vader was zeeman. Binnenkort ga ik weer. Enneh Laura woont nu al weer een tijdje bij me.
Soms houdt een Indische jongen van opschieten.

Alleen maar

   I
ndische mensen hebben ontegenzeggelijk een aparte manier van spreken.
Een leuke manier doorgaans, die mij nog steeds als muziek in de oren klinkt.
Al hoor je er steeds minder van. Tante Dik is kortgeleden op bijna 92jarige leeftijd overleden. Met haar ging een van
de laatst overgebleven stukjes familiecultuur heen. Om misverstanden te voorkomen, ik doel hier niet op het ‘petjoh’,
want dat is zo langzamerhand voorbehouden aan de laatst overgebleven Indische cabaretiers.
   Wij staan hier stil bij het op zich redelijk correcte Indische Nederlands, dat ook bij ons thuis te horen was. Correct, afgezien van bijvoorbeeld het onverwacht stokken van een met veel emotie aangevangen zin. “Adoe, ik zeg jou!”. Als kind wachtte ik met spanning af, wat tante dan eigenlijk zei. Nu begrijp ik, dat haar op dat moment iets onoverkomelijk dwars zat.
Geïrriteerd zij.
   Ik kan mij die aparte spreekstijl zo indringend van mijn ooms en tantes herinneren, maar vooral van mijn moeder. Ik hoor haar nog verzuchten:“Die Royke van mij zegt door maar,
dat hij binnenkort bij me aankeert, …. alleen maar”. Help te geloven, met andere woorden. Dat ‘alleen maar’ staat voor zoiets als ‘bullshit’. Maar zulke woorden gebruiken Indische moeders beslist niet. Bestaat niet.
   Zo op het eerste gezicht een vreemde woordcombinatie, ‘alleen maar’. Maar het gaat daarbij om het melodietje, waarin deze gezongen wordt. Dat is een heel ander melodietje, dan dat van ‘Alleen maar niet eenzaam’. Het Indische ‘alleen maar’ heeft een melodie, waaruit nadrukkelijk een cynisch ongeloof spreekt. Ongeveer in de trant van “Alleen maar dat, meer niet?”
Of zoals ‘Doe maar’ zingt: “Is dat alles?’  
   Alleen maar, maar ook ‘laat maar’. “Soedah deh, laat maar. Jij gelooft mij
toch niet”. Het woordje ‘maar’ overigens, zo heb ik hier in Holland geleerd,
is vaak een woordje waarmee je een voorgaande bewering ongemerkt uitgumt.
De oplettende lezer zal het zijn opgevallen, dat ik in bovenstaande alweer 15 maal dat woordje ‘maar’ heb gebezigd.
   Dat het waarachtig een uitgumwoord is, heb ik zelf maar al te hevig aan den lijve moeten ondervinden. Mijn eerste verloofde veegde eens lang gelee met de volgende woorden afdoende de vloer met mij aan. “Roy, ik houd zielsveel van je, maar je moest eens wat vaker je voeten wassen”. God zal me liefhebben, zij liet mij daarmee in opperste verwarring achter.
   Het was sindsdien niet meer, zoals die verliefdheid ooit begon en het werd nooit meer wat tussen ons. Die relatie eindigde, als de zovele daarna, in oeverloze discussies, boordevol ‘maren’. Alle poëzie daaromtrent, soms geschreven in zuurstofrijk bloed, dan weer in Oostindische inkt, werd met één veeg uitgestieft. Weg. Abis. Tranen met tuiten heb ik gehuild. Soedah deh, laat maar. Ik hoor mijn kleindochter vaak zeggen “Ja, deh!!!....”, maar dat is duidelijk een andere ‘deh’. Modern.
   Dan hebben we per slot nog het Indische ‘door maar’. Ik zag laatst zo’n vierde generatie Indo apentrots rondlopen in een t-shirt met daarop de tekst ‘Door maar makan sambel’. Sambel met een klankloze -e, gevolgd door een nadrukkelijke -l.
Dit volgens de Bataviase spreektrant. Om erop te wijzen, dat een dikke klont sambal Betawi niet mag ontbreken op je bord eten, wil je voluit kunnen genieten van wat er verder op ligt. Tante Dik kon dat woordje ‘sambel zodanig, bijna gezongen voordragen, dat het water je in de mond liep.
Vera, want zo dik was zij aan het eind van de rit niet meer, maakte graag een overheerlijke petjil. Dat zal ik nooit vergeten.
Zo pedis, dat het haar op je hoofd erbij begon te kreunen van genot. Een karaf ijswater binnen handbereik. Enfin, wij hebben dus laat maar, door maar en alleen maar. ‘Doe maar’ is trouwens ook Indisch, maar niet heus.



Bestaat niet

   W
e hebben het haar allemaal horen zeggen. Prinses Maxima zelf en nog wel op tv:
“De Indo bestaat niet”. Veeg haar! Zij heeft gemakkelijk praten, zij is de kroonprinses.
Daar is er maar eentje van. Maar ja, het antwoord op de vraag ‘Wat is brood?’ schud je ook niet zomaar uit je mouw.
  
Wat is een Indo? Griekse filosofen bogen zich al over die prangende vraag. Si Aris total loss
om er maar een te noemen. Hij zegt: “Loh, muulek dese…de regenwurm hij ontstaat uit
de modder, de vrouw hij is een mislukte man, maar wat is nou eigenlijk een Indo?”
Wouter Muller heeft er van armoe maar een liedje over gemaakt.
   Het volgende twistgesprek hoorde ik op het feest ter gelegenheid van het 60 jarig bestaan van Pelita. Indisch Maatschappelijk werk, of wat?
- “Zeg, heb je al gehoord? Ze geven vandaag volgens zeggen een gratis rijsttafel”.
- “Bestaat niet”.
- “Bestaat niet? Ze zullen ons heus niet verlakken, hoor, die lui van Pelita. Wij zijn Indo’s immers, die verlakken elkaar niet. Bestaat niet? Wat nou jij met je bestaat niet. Je lijkt toch wel een echte Indo, jij. Ga nog eventjes door, de Indo bestaat niet? Je moet zo’n prinses niet meteen geloven jij. Hoepel toch gauw op man. De? Wat nou. De de de … Jouw Dee’s zijn gewoon precies als die van een real Indo”.
   Met de regelmaat van de klok stellen Indo’s zich de vraag “Wat is een Indo?” En de tijd lijkt te dringen, want zo aanstonds bestaat de Indo niet meer. Nog voordat we het erover eens zijn
geworden. Het lijkt zo eenvoudig. Een Indo is gemengdbloedig, Europees en Indonesisch.  Indo is immers de verkorte vorm van Indo-Europeaan? Memang. Maar iemand van louter Europese afkomst dan, die in het toenmalige Nederlands Indië is geboren en getogen?
Die voelt zich dikwijls veel meer Indo dan Europees. Wat mij betreft: Als je je zo voelt, dan ben je er eentje.
Ken wel, voor deze keer.
   Andy Tielman van de Brothers is niet blij met het begrip ‘Indorock’, zegt hij. Indo is voor hem en nog voor zovelen
een soort scheldwoord. Voor anderen is het inmiddels
een geuzennaam geworden. Andy voelt zich Nederlander. Ik zelf ook hoor, maar dan toch meer zoals
‘An Englishman in New York’.
   Ik wil weer eens trouwen en heb daarvoor een geboorteakte nodig. Nergens te vinden. Ilang, tijdens al mijn verhuizingen. Het is alsof de mensen achter de diverse balies grijnzend willen zeggen: “U bestaat helaas niet”. En zij blijven halsstarrig
zo grijnzen, ook al staat in voorgaande trouwakten toch steeds  duidelijk vermeld ‘…….Robert Felix, geboren te Djakarta’. Hopeloos werkelijk, die bureaucraten in Holland.
   Minister Ella Vogelaar zwaaide ons (ons?) lof toe met de volgende woorden:
“Na zestig roerige jaren kunt u met recht en trots zeggen, dat u zich een plaats verworven heeft in de Nederlandse samenleving”. Zij zei dit tijdens dat feest van ‘Pelita’.
7531 Mensen bezochten het feest. “Zoveel mensen!”, riep Winnie Sorgdrager uit,
“De Indische samenleving leeft.” Wel heb ik ooit.
   Wat is brood?” Jesus brak het brood, ja maar  wij weten nu ‘het brood bestaat niet’.
Aristoteles is er destijds na lang piekeren, dat doen filosofen de godganse dag, uiteindelijk ten lange leste uitgekomen.
“Een Indo? Een Indo is langzaam. Maar zeker. Maar zeker langzaam.” Onzin natuurlijk. Er is nog één hoop misschien, ja.
Wie weet worden wij iets wijzer op het Pindakaasfestival. Geloof je? Bestaat niet immers, pindakaas? Katjang idjo, je heb. Kacang kédju, isterniet.


Indo-Europeaan


   Oom Max Bello is overleden. Een van de laatsten der Indische Mohikanen.
Van de generatie boven de onze zijn er een handvol overgebleven nu. Nog even en onze generatie, ook al aardig aan de leeftijd zo is rondom te zien, zal de fakkel overnemen.
De fakkel van ‘Indisch zijn in Holland’.
   Hij heeft zich nooit aangesloten bij het I.E.V, was wars van dat soort bewegingen, maar als iemand aan het profiel van de Indo-Eoropeaan voldeed, dan was het Max. Dat werd mij nog eens duidelijk tijdens de herdenking bij zijn crematie. Onvermoeibare werker om het hoofd boven water te houden nu in Holland, zoveel mogelijk overwerken om ook de in Indonesië achtergebleven familie te kunnen ondersteunen, dat was Max. Hij was er één, die begreep, dat ‘inburgeren’ meer behelst, dan ‘leren met mes en vork te eten uitjouw neus’.n, die begreep, dat  Buffelen, kankeren over die Belanda’s, streng, koppig, maar recht aardig. Zorgzaam, zoals alleen
een Indische vader dat kan zijn.
   Zijn vrouw, een zusje van mijn moeder, ging boven alles, net als hun kinderen. Hij stond aan het roer van een groot solidair gezin, waar ieder elkaar liefheeft en steunt onder zijn toeziend en alziend oog. Hoe verschillend ook van karakter soms, over elk broertje of zusje werd en wordt nog steeds met liefde en respect gesproken. Daar zag Max strikt op toe,
eerst samen met zijn Wiesje, de laatste jaren stond hij daar alleen voor. Want er komt onherroepelijk een moment, dat je elkaar nodig hebt.  Een gezellig Indisch gezin, dat in Arnhem terecht was gekomen en waar je saamhorigheid beleefde.
   Wij kwamen daar graag, ervaringen uitwisselen opgedaan in dit verdomde kille Holland, waar wij in de loop der jaren van zijn gaan houden. Vooral veel lachen met elkaar daar in Arnhem. Ik herinner me Oom Max als kampioen in droge Indische humor. Dat herinner ik me nog uit de laatste jaren Indië en de eerste jaren Indonesië. Ook al begreep ik toen niet veel van zijn humor, ik voelde haarfijn aan dat je die nodig had in die voor onze ouders zo verwarrende periode.
   Na afloop van de plechtigheid, met zijn muziek van o.a. Glenn Miller, gingen we met elkaar eten. Dat wilde Max zo. Samen eten, net als door de jaren heen, wanneer we op zondag in Arnhem bij de Bello’s aankeerden Wiesje kon koken hoor en zij was zo goedlachs, leek erg veel op mijn moeder. Net zo hardhorend, maar lachen, niet te kort.
   Hoe indrukwekkend het afscheid was, zo gezellig was weer eens de gezamenlijke maaltijd.
Zag je elkaar vroeger vrijwel maandelijks, als je elkaar over en weer opzocht, nu gebeurt dit alleen nog maar tijdens bruiloften en uitvaartplechtigheden. Dat is aan een kant verdrietig. Daar ging een van de laatsten der Indo-Europeanen. Die op de valreep de erkenning kregen een bevolkingsgroep te zijn in het huidige Nederland. die het ook heel moeilijk heeft gehad.
Mosok, geloof je?
   Glenn Miller, ‘In do mood’, de tranen schoten me in de ogen en ze bleven de verdere plechtigheid komen. Verdriet gaat immers altijd over, over iets wat niet meer terugkomt.
We namen afscheid van Max, op een haar na ook van zijn generatie Indo-Europeanen,
recht van rug en met een overdosis aan verantwoordelijkheidsgevoel. Voor zichzelf en voor de familie.
   Mogen de nieuwe fakkeldragers dàt vooral brandend houden. Dat en ook niet vergeten elkaar regelmatiger op te zoeken ja, met een bord lekker eten op je schoot. Misschien zijn wij daar al te ver voor in verschillende windrichtingen uitgezwermd, maar houd in ieder geval Indische ‘humor nyang kering lucu’ en goedlachsheid in ere. Daar kom je een eind mee.

Dat land van zal wel, dat land van jammer
Het zal niet lang meer duren, voordat de laatste persoonlijke ervaringen van mensen, geboren of getogen in het toenmalige Indië met hen in het graf zijn verdwenen. Zand erover, zal wel, lekker belangrijk. Zelf kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat veel van wat er over tempo doeloe in Nederland op schrift is verschenen fungeert als een vorm van gewetens sussen naar aanleiding van wat wij daar in enkele eeuwen allemaal hebben uitgevreten.
Althans daar is de meeste aandacht naar uitgegaan. Naar boeken, die voorzichtig en
omfloerst dikwijls aan de orde stellen, wat alleen al het wetenschappelijk polderracisme
uit die periode aan emoties heeft teweeg gebracht. Aan onmogelijke liefde en groot verdriet tussen twee volkeren. De bezetters en hun als zodanig beschouwde horigen. Het halfbloed kroop niettemin waar het niet gaan kon. En een mens is immers geneigd vooral zijn aardigste herinneringen te bewaren.
Ik heb het niet over Hella Haasse. Zij komt nog het meest integer over van al die belandah schrijvers en terecht kan zij beschouwd worden, als de belangrijkste auteur, die zich ooit
aan Indië waagde. Met een bevroren gretigheid zette ik ergens in de zestiger jaren haar ‘Oeroeg’ op mijn eindexamen literatuurlijst. Niet alleen omdat het een snel leesbaar boekje is. Maar ook omdat ik vanuit mijn verlaten gevoel hier in dit koude kikkerlandje en mijn niet weg te branden hang naar romantiek getroffen werd door de aandoenlijk beschreven vriendschap tussen een inlander en een totok.
Maar neem nu de onlangs verschenen historische roman ‘Land van zal’ van Elizabeth Nobel, hier lees: Een rebelse dochter uit volbloed ( lees Nederlandse ) ouders vertikt het om braaf in Holland te gaan studeren. Rechten in Leiden bijvoorbeeld. Neen, zij gaat er met zo’n inlander vandoor. Wel heb ik ooit, in dat land van ooit. Hij is weliswaar een zoon van een sultan, maar toch. Het krijgt wel wat weg van een regelrechte poging tot rasverminking. Wah, zij heeft beslist hinder van hechtingsproblematiek, dat wicht. Gegarandeerd.
Hella Haasse maakt een onderscheid tussen schrijvers die zich Indisch mogen noemen, zij die zich zo niet mogen noemen, auteurs die hun ervaringen in de Jappenkampen noteerden en
tenslotte de in Nederland geboren auteurs, kinderen van in Indië geboren ouders. Van deze laatste categorie ken ik eigenlijk alleen maar Marion Bloem. Dat komt waarschijnlijk omdat zij mooi kan vertellen, mooi schrijven en ook mooi zijn op haar tijd. Anderen die in die categorie thuishoren zijn in Nederland weinig bekend. Naar mijn idee, omdat zij vooral schrijven of zingen voor en over de ‘kleine bung’ zoals Marion het zo mooi kan zeggen. 
Dat heeft geresulteerd in een stapel grotendeels genegeerde boeken. Over de 364.789 verdoolde bootvluchtelingen avant la lettre, uit de jaren vijftig, die zich minder kunnen bekommeren om eventuele gewetenswroeging van de verindischte en verdoolde totok. 
Zulke wroeging, verhuld in  een quasi historische romanvorm krijgt  gemakkelijker aandacht hier in Holland, dat land van jammer. Dit neemt niet weg, dat Elizabeth Nobel mooi kan vertellen, mooi kan schrijven en mooi kan zijn, op haar tijd. Haar boek is een juweeltje, zondermeer. Ik heb het in een adem uitgelezen. Terwijl het werkelijk een pil is van heb ik jou daar. Net als ‘Land van herkomst’ van E. du Perron. Elizabeth hanteert, als al eerder,
een heerlijk ontspannen maar gedecideerde stijl, zodat je zonder aarzelen gelooft, dat
alles klopt. Zwart op wit.
“ Ik zal, eens zal ik, ik leef nog steeds niet in het nu, maar in een ander land….”  Adoe,
tranen met tuiten werkelijk, ik. Is het nou le lettre of la lettre? Het is in ieder geval l’amour.

Setinga mati

   Televisie kijken is aan mij niet besteed. Doodmoe word ik ervan, setinga mati. Moeheid bestaat niet, heeft een Groningse psycholoog onlangs vastgesteld. Moe zijn is een gevoel, dat wordt opgewekt door een gebrek aan motivatie. De man is erop gepromoveerd door uitgebreid een kijkje te nemen in de menselijke hersenen. Ik ben altijd geneigd geweest om psychologen met belangstelling voor hersenen per definitie te wantrouwen. Maar luister.
   Tegenwoordig heb ik Garuda tv op mijn toestel. ‘The first Indonesian tv channel in Europe’.
 “Your window to Indonesia, window to your heritage”. 
Ik geniet ervan, kan er geen genoeg van krijgen. Niet alleen van de nadrukkelijk dramatische producties, als Brama Kumbara,
de Troon van Majapahit en Borobudur, een mix van authentiek Hollands televisiedrama uit
de jaren zestig en hedendaagse soap. Er wordt vaak aandoenlijk in geacteerd, wat onherroepelijk op mijn lachspieren werkt. Van een betere kwaliteit is een soort volkstheater, dat doet denken aan het theater van de lach van een paar jaar geleden hier. De humor is alleen stukken leuker en er wordt spontaner in geacteerd door veelal jonge acteurs, die een heerlijk zelfbewustzijn uitstralen. Die spontaniteit en dat zelfbewustzijn van de jongeren verwarmen mijn hart. Zo ben ik niet grootgebracht, denk ik dan met de nodige spijt.
   Culinaire uitstapjes naar alle hoeken van de archipel, vaak visgerechten,  doen me elke herhaling weer het water in de mond lopen. Veel herhalingen inderdaad , geef neks, ik ben immers dol op vis.Veel muziek natuurlijk, gepolijste kerontjong afgewisseld door Indonesische popmuziek. Tranen in mijn ogen, als ik Yos Sahetapy & Group zie spelen met
op de achtergrond de baai van Ambon, waar ik als vierjarige nog zwemmen leerde van een kamponghond. Yos en de band zingen in hun beste Nederlands ‘Meisje blijf op mij wachten’. Nangis ik, maar opeens niet meer moe.
   Mozaik Indonesia  en Archipelago zijn vanzelfsprekend mijn favoriete programma’s met documentaires over ontelbare bezienswaardige plekjes in het eilandenrijk en waarin ons
een kijkje wordt gegund in de talloze musea en galleries, die Indonesia blijkt te hebben. Aandacht voor de traditionele dans en kunstnijverheden als, batik, zilver- en goudsmeden, houtsnijwerk, noem ze maar op. ‘Oasis’ neemt ons mee naar de stad Jambi en verder
het oerwoud in naar de stammen van de ‘Anak dalam’. In hun ‘Tweede Kamer’ overlegt men net zolang, tot iedereen het met elkaar eens is. De cultuur van die Anak dalam maakt deel uit van de Indonesische cultuur en ook een beetje van de mijne. Kan ik mij verbeelden gelegen in mijn luie stoel. Ook ik ben geneigd net zolang te onderhandelen, tot ieder het met me eens is.
   Minder gecharmeerd ben ik van programma’s als ‘Design & Decor’ of ‘Beauty & Style’ waarin wij kennismaken met de hedendaagse Indonesische binnenhuisarchitectuur en haute couture. Boeiend. Ik red het voorlopig wel met Hema en Dessertline of adventure.
De meeste programma.s zijn gelukkig ondertiteld, weliswaar  op een dikwijls abominabele wijze, maar ik verbeeld me, dat ik de hedendaagse Indonesische taal steeds beter ga kennen. Van de andere kant wordt mij duidelijk hoeveel woorden er overgebleven zijn uit het Nederlands. Als ik een middle class echtgenote in een kinderserie het woord ‘precies’ hoor gebruiken. Motivasi, plester of soortgelijke elemen elemen belanda vliegen je om de oren.
   Met volle teugen geniet ik ervan, Garuda tv. Op den duur zullen wij er voor onze dagelijkse culturele voeding helemaal op aangewezen zijn. Onze ouders zijn inmiddels al ver in
de tachtig en weldra niet meer. Wij zullen erop aangewezen zijn, als de pasar pasar malam hier in Holland verder blijven verwateren tot die saaie eenheidsworst nog net overgoten met een smakeloos pindasausje. Wij zullen erop aangewezen zijn, als ons onvolprezen magazine Archipel ophoudt te bestaan. Ook al setinga mati, begreep ik. Hoe dan ook, opeens ben ik niet meer moe en sterk gemotiveerd. Tot behouden van magazines als Archipel, bijvoorbeeld.

All Indo Family

   Indo's houden van zingen. Al bijna kerstmis en daar beginnen ze al meteen te croonen. ‘Dreaming of a white Christmas’. Ik ken zo'n meisje, zij heet Barbara de la Motte. Adoe, haar stem seperti nightingale werkelijk. Wij onmoetten elkaar onlangs op de tweede 'Adoe Adoe party,
een dansfestijn dat klonk als een klok. Veel Indo’s daar, dansen natuurlijk, maar vooral eten. Hopeloos die lui. Barbara, si Babsje, stond daar haar kerst cd aan te prijzen. ‘Snow & Mistletoe.
Zij maakte die schijf in eigen beheer, want je komt hier in Holland niet gemakkelijk aan de bak, als Indische zangeres. Die lui van Idols en bijvoorbeeld ook die van X-factor, zij zeggen gewoon aan haar “Ja sorry, jou kunnen we niet belachelijk maken, Barbara”. Klaar.
   Die 'Adoe Adoe party' is een initiatief van een stel jonge Indo's. Al voor de tweede keer, ik heb nog niet eerder van hun gehoord, man. Zij hebben tegenwoordig hun eigen feestje, die jongelui.
Met een koene DJ en diverse spetterende bands. Nonstop dancing and eating nasi rames.
Net als destijds in Indië tot in de vroege uurtjes.  Het was daar behoorlijk druk, hoor. In Utrecht.
En iedereen was er ook, maar klaarblijkelijk was de Adoe Adoe party nog geen item voor
'Lekker weg in eigen land'. Jammer.
   Ik heb die Barbara al eens eerder ontmoet, een paar weken geleden tijdens een live optreden
in IJsselstein met een heuse Big Band, 20 musici, The Zendmasters. Compleet met diverse saxen en schuiftrompetten, weet je. Dwarspluit d’rbij. Adoe, muulijk die letter –f, weetje. Af en toe ploppen mijn lippen. En ik ben toch al zoveel jaren in Hollan. Die Barbara zingt net zo gemakkelijk
'Stillege nach, heilige nach' in countrystyle als ook funky jazz, motown, real soulmusic, mata kici kutu burung en noem maar op. Dit spetterende optreden was ter gelegenheid van de presentatie van de cd ‘You can dance’.
   Maar ik vind mooi hoor, zo’n dwarsfluit. Mooi om te horen en om te zien vooral. Ik verbeeld me zo’n meisje is bezig te knabbelen aan een grote sateh. Van links naar rechts en door maar heen en weer. Ze eet haar vingers erbij op, lijkt wel. Wadoe, dat is pas echt een wadoe wadoe party. Enfin.
zingen blijkt gezond te zijn voor ons immuunsysteem, want het maakt een antistresshormoon
in ons lijf aan. Dat is nu wetenschappelijk bewezen, hoor ik zojuist over de radio, terwijl ik deze column eruit probeer te kloppen. Zingen gezond? Jah Illah, wij Indo’s weten allang immers.
   Mijn zoon Micha, hij kent die Barbara zo'n beetje, is dol enthousiast over haar. “Wat een stem!”
roept hij uit, “Met haar kun je maar beter geen ruzie krijgen”. Hij is een beetje dweepziek
die jongen, toch heeft hij gelijk deze keer. Hij beweert ook, dat zij lekker kan koken. Zwartzuur
van eend, Sambalan taotjo, ook gezond trouwens voor je immuunsysteem.
   Indo’s houden van zingen. Liedjes van heimwee en verlangen, verlangen naar geborgenheid.
Als ik die lui zo zag op die Adoe Adoe party, ik moest onmiddellijk aan Marion Bloem denken
met haar jongste film. Heb je al gezien? Ga dan kijken. Want wat je daar zag, op dat dansfestijn, oud en jong gezellig bij elkaar, was gegarandeerd 'All Indo Family'. Ik let blijkbaar af en toe niet
zo erg op de laatste tijd, maar er is meer te doen in Indoland dan door maar Pasar malam of 
Masoek sadja.

Via vijftig

In de vakantie heb je geen agenda nodig, denk je. 6 Augustus, Tamara wordt dertig. Ze geeft
een geweldig tuinfeest. Met sateh en rijstevlaai. Moderne Indo, maar goeie vent zij. Moeder van mijn kleinkinderen. 14 Augustus, Via wordt vijftig. Zij viert het met een denderende fuif op de 21e .
In Langerak bij Doetinchem, of all places. De dag ervoor word ik een jaar ouder, dan Mama
ooit geworden is. Ik kan dit moeilijk vieren en beperk het tot een paar gebakjes voor Menno, Lars en Odile
en 's avonds een rondje in de salon van het Indisch Netwerk.
15 Augustus, wij Indo's herdenken de capitulatie van Japan. Voor het eerst wordt er officieel gevlagd.
Na 54 jaar. Jam karet werkelijk. Twee dagen later vieren ze op de Indonesische ambassade het eind van
hun 360-jarige oorlog. Op weg naar Via's feesje vraag ik me op een onbewaakt ogenblik af, wanneer wij
eigenlijk zijn opgehouden het einde van de 80-jarige oorlog te vieren of te herdenken. En door wie eigenlijk
de Bersiap is uitgelokt. Maar eenmaal in Doetinchem word ik al snel verzwolgen door Via's feesje. De levende muziek wordt verzorgd door Wally's Big Band.
Hij is mijn neef, hoor. Uit Limburg. Bijna iedereen is er. Als niet, dan ziek, al overleden of anderszins
dwingend verhinderd. Mijn zusje Josta is er natuurlijk, altèt. En Vonny met haar gang. De oudere generatie
is merkbaar in de minderheid. Tante Dik slaat tegenwoordig de feestjes tot haar groot verdriet maar over.
Zij wil anderen niet tot last zijn. Zij lijkt wel Indisch, mijn tante. Oom Joop, dik zeventig, jivet nog
als de beste. Maar niet alleen hij. De jongere generaties, groot gebracht met deze Indische feestjes,
jiven net soepel en sierlijk. Een Indisch feestje is een feestje met Indo's. Tjampoer adoek tegenwoordig,
dat wel. Beetje aangepast, sateh met rijstevlaai, Bengawan solo en Frans Bauer. Adoe, je houdt je hart vast. Zodadelijk geven ze nog polonaise: ’Heus, heus, heus, er hangt een oepil uit je neus’.
Daar komt gelukkig, wie weet voor de allerlaatste keer, de 'Indische frituur' voorbij.
Door Tante Louise gemaakt, zij is ook al bijna tachtig! Met hulp van oom Max. Wie van de jonkies
neemt tegenwoordig nog de moeite in de keuken te gaan staan voor frituur.
In haar dankwoord onderstreept Via, dat zij deze mijlpaal niet zonder slag of stoot heeft bereikt.
En zo is het ook. Als er iets te vieren is, hebben de tranen eerst rijkelijk gevloeid. Of we nou op
de dansvloer in Langerak staan, of bij het Indisch monument. Maar als er iets te vieren is, vier het dan ook,
wil ik hebben. En dat hebben wij gedaan. In Langerak.


Nasi kidjoe

Over Oostenrijk gesproken, ik heb al eens eerder met jelui gesproken over Indo's op skivakantie.
Maar kun je als Indo eigenlijk wel op skivakantie naar Oostenrijk? Natierlijk ken wel! We laten si Bea toch niet voor paal staan daar!. Wij Indo’s zijn onvoorwaardelijk koningsgezind, wij. Al van vroeger. Wij vragen niet eens eskuus van haar. Waarvoor? Ja, waarvoor eigenlijk? Sudah, laat maar, vraag maar niet. Dus ik word weer door mijn oudste dochter en haar gang mee gezwaaid naar Hipach. Doet mij een beetje denken aan de Puntjak. Met bergpaardjes, weet je? Ister veel sneeuw daar, lawineus veel gewoonweg. En weet je wat ister ook veel daar? Rijst. Je wil me niet geloven, echt waar. Gotstrafvadermoederdood, nah. Ze eten daar vaak rijst in Oostenrijk. Alleen, zoals de nasi goreng heet daar 'Gebratener gemüsereis'. Smaakt mij niet, weet je. Zodra we weer thuis zijn, rij ik regelrecht naar 'Toko Betawi'. Ken me niks schelen. Mijn tjoe tjoe intussen, zij kunnen maar niet genoeg krijgen van door maar skieën. Sret, srot. Alleen de jongste, zij is nog steeds een beetje bang voor sneeuw, logisch. En ik? Al na een paar dagen denk ik bij mezelf:"Niet ach, je kunt als Indo beter niet gaan naar Oostenrijk ". Hun nasi kuning, nama nja 'Safran Ry Soto', smaakt werkelijk naar niks. Smaakt zelfs niet eens naar soto. Wat wil je ook, ze gooien er kaas doorheen. Tolol die lui. Hopeloos.


Jeff 50

Ria's partner, Indo hij, Inogje om precies te zijn, wordt ook al 50. Nog juist daarginds geboren, als ik kan rekenen. Het lijkt Ria een aardige verrassing voor Jeff, als het 'Tempo Doelloos' circus
zijn feest komt opluisteren. Wij kennen elkaar niet, maar ik vind de invitatie zo apart, dat ik de reis
naar Nijmegen ervoor over heb. Als ik daar maar geen spijt van krijg. De verhouding Belanda - Indo
op het feest is ongeveer drie op 1. Maar er is volop Indisch eten en snoeperij. Er zou zelfs
een krontjongensemble komen, dat helaas op het laatste moment, om onduidelijke redenen, heeft afgezegd.
Dat komt wel vaker voor bij Indo's, verzucht Ria. Wijsneus. Te erreg zij. Ik voel me niet eens beledigd en je weet Indo's zijn nogal snel op hun teentjes getrapt. Veel instemmend gemompel om mij heen, maar ook vanuit mijn binnenste. Niet eens zo heel diep in mijn hart. Later op de avond hoor ik mijzelf geduldig uitleggen, dat Indo's niet zozeer onduidelijk zijn, als wel overdreven beleefd. Verlegen immers, om voor de eer te bedanken, als je uitgenodigd bent? Dan verzin je maar wat, toch? Of doen Limburgers dat net zo? Nee, dan de Friezen, breek me daar de bek alsjeblieft niet over open.
Er komen regelmatig gasten bij mijn tafel met malligheden snuffelen. De bekende T-shirts, tubrukmokken, mousepads, mijn boeken natuurlijk. Die raak je aan de straatstenen nog niet kwijt. En botol cebok, die men sinds kort bij Tempo Doelloos eventueel kan leasen. Murah, betoel. Je betaalt een zeker bedrag per jaar en als stuk je krijgt een nieuwe. Wat wil je nog meer? Maar je raakt ze nog niet aan de straatstenen kwijt, tegenwoordig. Hopeloos. Tussen neus en lippen door leer ik daar nog het een en ander op het feest. Zo'n botol cebok bijvoorbeeld gebruik je, als je je billen na een grote boodschap op de Arabische manier pleegt te wassen.
Hoor ik een Indo aan de man naast hem uitleggen. Wis je al? Zal wel, jij weet alles immers al.
Mijn kleinkinderen maken hun billen schoon op de Utrechtse Heuvelrug manier. Gewoon met vochtige tissue. Schattig voorbeeld van atypische Indisch Nederlandse cultuur kruisbestuiving, toch? Volgens mij. In plaats van de krontjong muziek moeten we ons op het feest maar behelpen
met een paar cd-tjes om de tropische sferen tussen loempia en risolles overeind te houden.
Maar Jeff, verdienstelijk gitarist, heeft zijn eigen band ook te gast en dat wordt een prettige muzikale verrassing. Ik herken nummers van de Stones, Fleetwood Mac.. maar ook van Natalie Umbruglia: ....what is goin' on?
Noting but I'm thorned.... Dochter Roos, zo'n juweel van een melange tussen blank en bruin,
een poepie werkelijk, zorgt voor een volgende muzikale verrassing.
Zij speelt klarinet voor haar vader, Bengawan Solo. Mijn hart smelt gewoonweg. Bengawan Solo
op klarinet, wel heb ik ooit... Als dat geen cultuurkruisbestuiving is, dan weet ik het niet meer.
De jongste generatie Indo's is zichzelf niet langer ontrouw. Ik zeg jou toch al duizend maal:
Indoos bewaard gegarandeerd vers tot 3007 na Chr.


Fly to Java by KNILM

Waaraan herken je toch een Indo? Wat een vraag. Gampang toch? Neen, niet zo gemakkelijk.
Dat bedenk ik in de trein, van Obdam naar Leusden. De gratis verspreide treinkrant laat weten, dat een zekere Haider, hij is van Oostenrijk, zich bedient van homo codes.
Op de omslag van de Moesson staat een affiche van
de KNILM afgebeeld. Even verderop zit een heel ander plaatje. Zogenaamd te lezen in
de nieuwste 'Over en uit de Gordel van Smaragd'.
Dat ze geen kou vat, zo luchtig gekleed. Om niet ongewild gestoord te worden door passagiers,
die om een praatje verlegen zitten, zet ik mijn walkman op. Aan de overkant van het pad speelt mijn kleinzoon met zijn pas verworven 'Railrunner' kaartspel. Het is ‘Crocus’, de carnavalsvakantie, vernoemd naar de orchidee van de lage landen. Schuins achter mij zit beslist een Indo.
Hoe weet je dat, nou? Ik weet. Als hij uitgespeeld is, komt Lars bij me zitten.
"Opa waar luister je naar?" Ik laat het hem horen. "Dat is muziek uit Indoneusi", zegt hij zelfverzekerd. De oude Heer stapt op hetzelfde station uit, als wij. Hij aait Lars liefkozend over
zijn bolletje en zegt: "Jouw opa, hij eet vanavond sambel goreng". Ik weet niet waar ik kijken moet gewoonweg, maar grijns vriendelijk terug. "Sambel goreng kentang", verbeter ik hem zogenaamd. Zogenaamd, want ik weet zeker, dat we 'Spaghetti salem senipper' te eten krijgen bij mijn dochter. -"Wie is die meneer, opa?" Met zijn mooie tjebok handje wijst Lars naar de Indo, die ons voorgaat op de roltrap. -"Je mag niet wijzen Lars, naar de mensen". -"I am mister Sambel Goreng", stelt hij zich voor. Grapjas. Hij denkt zeker, dat die jongen van amper vijf Engels verstaat. "Loop naar de maan, kerel", zeg ik niet, maar ik denk het. Volgens mij is dat beslist een typisch Indische uitdrukking, althans geregeld gebezigd door mijn Indische moeder. Net als "Ga toch lekker
op het dak zitten, jij".
In Holland zeg je immers:"Loop naar de pomp, bongol!". "Loop naar de maan, joh", dolt Mamma goedgemutst, zij heeft altijd iets nuttigs te doen in de keuken. Aan de wand hangt ingelijst
een affiche: 'Fly to Java by KNILM '.
"Fly me to the moon", neuriet ze ondertussen met Frank Sinatra mee, die storingvrij via een kastje van de Draadomroep in de keuken te horen is. Met haar stevige Bataviaase heupen
probeert zij stijldanspasjes uit, terwijl ze een kruidig mengsel in de oelekan fijn wrijft.
Ik ruik het al, dat wordt beslist sambal goreng kentang. Mama heeft last van vliegangst,
moet je weten. Daarom laat ze mij zeker telkens lopen, naar de maan.
- "Al klaar Mam, wat ben je daar aan het maken?" -"Loop naar de pomp, jij.
Begin liever aan je huiswerk!".
-"Ja, keel hem! Knil him!" giert het door mijn kop. Ik krijg zodadelijk met de houten pollepel. Adoe, werkelijk die moeder van mij. Always pushing, always poesing. Poekoel teroes, zij.
Die mister 'Sambal goreng' bedient zich van een soort code Indo Indo, om zich kenbaar te maken, voor alle zekerheid. Dat bedenk ik in de bus naar Leusden. Daar stopt geen trein immers, in Leusden. Voorzover ik weet, tenminste. Alsof ik niet al meteen dacht: "Adoe, Indo deze". En hij ook, ken niet anders. Mijn opa is niet van Oostenrijk, hoor. Bestaat niet. Mosoh, Piette van Oostenrijk. Bestaat niet! Hij is van Paree, hij is van de onderneming. Ja, van de HVA. Als je de naam noemt, ze weten. Hoofdwerktuigkundige, immers. Hij kan goed biljarten, die fen. Hij is door maar in de soos te vinden. Ik ben dol op spaghetti zalmsnipper. Ze weet die Tamara, goeie fen zij immers? Nog lekkerder is haar macaroni gorgonzola. Ja, wij Indo's van tegenwoordig eten al een aardig stukje over de grens. Als maar lekker en als maar eten. Weet je wat trouwens ook lekker is? Brongkos daging. Wie kan dat nog maken, tegenwoordig?


Wally 50

Kan ik er wat aan doen? Kan ik het helpen, dat er steeds mensen om mij heen die leeftijd bereiken en dat zij dat elk op hun eigen manier vieren? Dat kan ik niet helpen, niks aan doen. En hij woont zo ver, weet je, die Wally Brouwer. Hij is mijn neef, ja dezelfde als op het feest van Via. Je denkt toch niet, dat ik twee neven Wally Brouwer heb, waar zit jouw verstand? Neen, daar is er maar eentje van, Wally Brouwer. De reis gaat deze keer helemaal naar Susteren. Waar ligt dat in hemelsnaam? In de buurt van Roosteren. Je wil niet geloven,betoel. Dan maar
de routebeschrijving erbij:… Na Eindhoven volgt u de weg tot aan afslag 46, Roosteren, Susteren. Boven aan de afslag slaat men links af, ik snap. Deze weg blijve men volgen totdat men bij
de stoplichten aankomt, okay. Doch men blijft rechtdoor rijden. Okay. Jah illah, stoplicht is rood. Gelukkig neks gebeurd. -"Let dan ook op!"
Mijn broertje aan het stuur. Hopeloos, die fen. Begint hij nog tegen me te foeteren.
-"Jij zegt zelf doorrijden, tegen mij!!" -"Ja hoor Ool, let maar op de weg jij. Straks belanden we 
in de sloot hier in Susteren, of in Roosteren. Luister, … “meteen na het tweede kruispunt
naar links een parkeerplaats op en daar parkeert u.” -"Waar anders!" Hij blijft maar mopperen,
ik zeg maar niks. Waarom ik over zo'n feestje schrijf? Luister en lees. Over Indo's wordt
om de haverklap gezegd, dat ze alleen maar kunnen praten over eten. Fout! Ze kunnen
niet alleen praten over eten, ze kunnen ook eten. Altijd lekker eten bij die lui.
Deze keer bij Wally de heerlijkste soorten vis en vooral heel veel muziek. En daar wil ik
het nu over hebben. Muziek. Indo's geven niet alleen hun dochters prachtige namen,
ze zijn vaak ongelooflijk muzikaal, geloof me vrij. Wij kennen allemaal nog de glorietijden van Indorock. Al gewees, maar binnenskamers vaak is het doodgewoon doorgegaan. Ik schepte al eerder op over Wally, vooral over zijn lekkere stem, adoe, kalau Bing Crosby, maar dan anders. Mooier. En ik repte al eerder over een zekere Jeff uit Nijmegen met zijn band. Over zijn dochter Roos, dat poepie, zij speelde 'Bengawan solo' op klarinet, voor haar pappie. Hier in Susteren worden we ongemerkt ondergedompeld in een eindeloze golf eerste klas Indische muzikaliteit. In een wervelende show. Die Wally heeft zich omringd met een stelletje onverbeterlijke, muzikale vrienden, van heb ik jou daar. Dat kan in de eerste plaats alleen maar, als je zelf wat in je mars hebt op dat gebied. Verder moet je aardig zijn. Nou, ze houden allemaal van hem. De een zingt "…that you're my hero"" van Bette Middler. De volgende zingt "You're the best, better than the rest" van si Tina. Heus, ik ben niet gewend om over iemand anders op te scheppen, dan over mezelf.
De ene onherroepelijke ster volgt op de andere.
Eerst al de band, geweldig die lui. Pop door de eeuwen heen, van 'Tell me quand quando, quando'
tot 'Freedom' van Aretha. Veel county natierlijk, Blue Bayou, rock'n roll, reggae, Everything gonna
be allright.. En alsof de duvel ermee speelt …What's goin' on? Nothing, but I am thorned…" van Nathalie U. Oorspronkelijk een Indische tekst, deze, dat kan niet anders. Maar dan Wally's dochters. Ze hebben niet alleen hemelse namen en dito voorkomens. Ze zingen al net zoals hun vader.
Eerst met hun tweeën het nummer 'Dad' van Kate's Choice. Adoe, ik kreeg tranen in mijn bier.
Ze zingen het lied voor hun vader, recht uit het hart. Daar kan ik over oordelen, ben zelf vader. Chalice zingt dan een nummer van Ilse. "Voor jou Pap, in de hoop, dat ik net zo goed wordt als jij." Even later Priscilla weer, met dat prachtige "…do you love Mozart" en…En!!!"….will that make my brown eyes blue?" Alweer een andere oorspronkelijk Indische songtekst. Mijn jongste, Pablo, op dat moment ondergedompeld in langdurig liefdesverdriet, zegt onlangs tegen me: "Als ik dan
naar Love radio luister, weet je Pap, word ik zó weemoedig!.
Het is allemaal wáár, wat ze zingen". Ik kan niet anders dan instemmende bromgeluiden laten horen. Verdriet gaat altijd over iets wat niet meer terugkomt, immers? Hier op het feest worden we ondergedompeld in louter liefde, die langs zoete kelen rechtstreeks in onze oren wordt gegoten.
De apotheose vindt plaats met 'You'll never walk alone' (Rabo blues) gevolgd door het aller allerlaatste nummer 'Endless love'' . Minder muzikale Indo's kunnen daarna slechts gescandeerd uitroepen: "We want semor!!… We want semor!!!" Rakus, die lui, werkelijk.


Afkortingen

Per trein op weg naar Den Haag. In de trein val ik meestal in slaap endroom dan vervelend.
In vicieuze cirkels. Ik wil naar het ministerievan OC&W. Om een lans te breken voorde Indische cultuur. Volgens zeggen gaat de staatssecretaris de laatste tijd met de botte bijl te werk.
Ik zit niet in de kunst, ik zit nog midden in de schuldensaneringvan een Indisch verleden.
Via mijn oorradio hoor ik, dat de Indische Gemeenschap in totaal 385 miljoen krijgt, als
gebaar van rechtsherstel. Er staan nog 37 files. Naast mij zit een jong meisje, mooi is zij.
Door maar kijk ik zogenaamd naar buiten. Ik verbeeld me, dat ze van wie weet Portugese komaf is.
In mijn hart begint het teneurieën: April in Portugal. Tot ze gaat lezen in een bundel
'Bersama, samen'. Adoe, Indo deze.
Derde generatie, nama nja Bernadien. Midden op het verder lege Malieveld een stil figuur. Op zo'n tragisch regisseursstoeltje, weet je? Pajong al boven haar hoofd, laptop op haarschoot.
Haar zakken vol met tissues.
Ellen Derks zit daar, een beetje te dromen van een witte kerst. Inplaats van de PMB 2001 voor te bereiden. Laatste bolwerk van Indische cultuur. Om maar te zwijgen over het ICC te Zoetermeer. Daar organiseren ze regelmatig dansmiddagen meteen Portugees orkesje. Verdriet gaat bijna altijd over. Verdriet gaat bijna altijd over iets, dat niet meer terugkomt. Tegenwoordig ben ik weliswaar uitgerust met een handpalmcomputer, een wapmobieltje en eenoorradiootje van KPN, ik heb nog steeds een hoofdrekenmachientje bij me. Dus ik al: 385 min 35, gedeeld door 101.367, drie onthouwen... Kurang, voor mijn vloerverwarming. Borst is zeker vergeten, dat we als bootvluchteling in 1950 uiterst koel zijn ontvangen. Dermate koel, datwe spontaan last kregen van wintertenen. Trouwens Pie d'Anglois is een heerlijk kaasje, maar daarover een volgende keer. Die wintertenen zitten waarschijnlijk tussen mijn oren, weet ik sinds kort. Beslist geen pretje. De meeste post lezen bewindslieden niet zelf. Daar hebben zijambtenaren voor.
Een deel echter opent van der Ploeg zelf. Met zo'n brievenopener in
de vorm van een kris. Cadeau gekregen van Ellen. Dat doet hij nog voor hij zijn regenjas heeft uitgedaan. Alweer geen fanmail. Er is een brief van een clubje Twentse Indo's. Beleefd vragen zij
een beetje aandacht voor de 'Indische cultuur'.
Er is verder een aanvraag voor subsidie van toneelgroep 'Tempo Doelloos Casual ArtProductions', TDCAP. En eentje van Het Indisch Netwerk. "Wat is in hemelsnaam Indische Cultuur, apa 'tu Indische cultuur?",vraagt si Ploeg zich af en zijn secretaresse Sonja vraagt hij koffie te zetten. Bij de brief uit Hengelo zit een cd bijgesloten vaneen zekere Wouter Muller. Never heard of. In afwachting van koffie legt Ploeg de vraag voor aan Winnie Sorgdrager. Aan haar kun je zoiets welvragen, immers?
"By the way Winnie, wat is volgens jou Indische cultuur?" Even is 't stil aan de andere kant.
"That's the question", antwoordt ze dan ontwijkend, "that'sstill the question" In stede van na te denken over de invulling van de komende PMB, zit die Ellen midden op het Malieveld een beetje te surfen op internet. Verveeld staart ze een tijdje naar 'Indo Wordart of the Lowlands', snel door naar het 'Indisch Informatiepunt' en besluit dan rigoureus Yvonne Keuls maar weer te vragen voor
de komende Pasar. Een stand ter beschikking te stellen aan het IP en een aan het IH. Het begint te regenen. Zijn secretaresse laat me een nummertje trekken. Aangezien ik de eersteben, lijkt me dat tamelijk overbodig. Als Indo denk je dan: "Sudah, laat maar". Zij gaat mij voor, halfhoge hakjes, paardenstaart. Aan zijn smoel ziet si Sonja, dat zij de koffie vergeten is. Foutje. "Tubruk or not tubruk?" "That’s the question", mompelt de staatssecretaris met in zijn hand een botte bijl.
Zij is Indisch, Sonja. Een Indische secretaresse denkt overal aan. Als zij mij geen nummertje laat trekken, weet nummero toewee immers niet, dat hij nummero toewee is? Gampang. Den Haag CS is het eindpunt vanuit Obdam. Gelukkig maar. Een aardige conductrice helpt me uit de droom.
De laatste restanten, na ruim drie eeuwen kolonisatie van dat prachtig eilandenrijk, die gordel van smaragd, zijn de Indische Nederlanders. Een vertrouwde minderheid. Nederlanders, maar dan anders. Je hebt er van 43%, 6 en een half prosèn, fifty fifty, je hebt erbij die vrijwel volbloed lijken. Indische Nederlanders. Indo's in Holland. Circa 600.000 Indo's wonen nu verspreid over Nederland. Hier en daar, maar overal. Van Enschedé tot in Obdam. Den Haag ook een paar, Coevorden, noem maar op. Nadat zij aanvankelijk uiterst koel zijn ontvangen. Heb ik mij laten vertellen, door si Koki, onze minister president toentertijd. Eskuus! Eskuus!! Hij laat mij de hartelijke excuses overbrengen. Wie -a zegt moet ook –b durven zeggen, je weet. Vandaar, dat er naast welgemeende excuses nu ook een paar slordige miljoenen beschikbaar worden gesteld, om dat leed wat te verzachten. Ik heb uitgerekend, dat zijn wel één miljoen drie honderd veertig duizend en één porties sateh kambing. Je wil niet geloven. Wie -a zegt moet ook -b kunnen zeggen, jawel. Een Chinees,
zo heb ik mij laten vertellen, kan de letter r ( -R) niet uitspreken.
Een Chinese weerman zegt bijvoorbeeld "Hiel en daal een buil". Alsof hij net van zijn fiets is gevallen. Sterker nog en ook dat heb ik me laten vertellen: Als wij een -r zeggen, hoort een Chinees in plaats daarvan een -l. Tolol werkelijk, die lui. Logisch, dat zo'n Chinees kindje nooit de -r leert zeggen. Kasian, hoor je zo'n kind al vragen naar de cd van Woutel Murrel? Wouter Muller, ken je hem? Hij is van Enschedé. Ergens tussen Duitsland en de duinen, ergens tussen Assen en Maastricht. Die is me er ook eentje, si Woutje. Altètt soesah, die fen. Al van vroeger.
"Wat is een Indo?" vraagt hij zich af in een van zijn liedjes. Hoe toch? Zelfs mijn ouwe schoen weet, wat een Indo is.Een Indo? Een Indo wil op tijd zijn kopi tubruk, houdt niet van gezwets. Hij houdt wel van mooie meisjes en van mooi weer. Spelen. Hij is dol op sateh kambing en haat te laatkomen. Hij haat ook regelmatig naar de wintersport tegenwoordig. Ongelogen. Hij wil sparen, maar heefthelaas een hat in zijn chan. Stemt meerendeels VVD. Althans, dat heb ik me laten vertellen. Door mijn ouwe schoen. Tijdens een telefonisch gesprek met een volbloed totokse uit Zwolle, over pantoens, Tjalie, Conimex en de nooit uitbetaalde salarissen gedurende Japans krijgsgevangenschap, vraagt de mevrouw aan de andere kant: - "U bent half Indonesisch, is het niet?"
- ( even is het stil )"Niet ach, meprouw! Mijn opa is een Belg, mijn oma hij speelt gitaar.
" Zo heb ik het, eerlijk gezegd, niet eerder bekeken, half Indonesisch. Is de Indo eerst vooral van Europese komaf, Indo Europeaan. Ongemerkt is hij misschien wel geëvolueerd. Eerst tot "Indo blauw, ik hou van jou" en nog verder tot Pokimon "Euro Indonesia". Hij gaat tegenwoordig tenminste eens in de twee jaar terug, heeft er een lief ding voor over, als hij na de vut een permit voor onbepaalde tijd kan bemachtigen. Op de pasar item, black market, apa nam 'tu? Soewarte marekt. Hij droomt er misschien stiekem van daar ooit een huisje te kunnen kopen, om uiteindelijk te sterven
in zijn land van herkomst..... Even terug naar de cd van Wouter "Hier en daar".
Drie woorden, hier en daar, maar in één woord: "Heweldeh!" In ruim 12, om precies te zijn 13 (dertien?) ware chansons,beschrijft hij op vaak poëtische wijze en op zo’n bijna on-Indische Indische manier, hoe wij Indo's als een apart soort pokémons langzaam evolueren van "botol cebok zuipers naar wc-papier vreters". Onderwijl swingt zijn muziek af en toe de pan uit. Onvervalste flarden pure Indorock. Ondefinieerbare emoties spatten uit mijn dak. "..ikkom, ik kom, ik kom eraan, want daar kom ik vandaan! Met zo'n achtergrondkoortje, weet je? Adoeh! Hartkloppingen gewoonweg.
Als je niet oppast, krijg je het heen en weer. Zijn tour de chant is geen tearjerker (hoe spreekt een Chinees dit in hemelsnaam uit. Tjobak probeer, ken niet. Op z'n Fries "Ken net".
Of "Bestaat net". Volgens Micha: "Als ken ken,
als ken niet OPDONDREN.) Toch krijg ik warempel natte ogen, als ik naar "Hier en daar" luister.
Op de gekste en meest onverwachte momenten. Dat kan niet anders betekenen,
dan dat Muller met dit juweeltje van een cd
de juiste snaren weet te beroeren. Snaren van verlangen, snaren ook van verdriet,
regelrechte heimwee.
Naar daar en naar hier. Wanneer toch, vinden wij Indo's onze eigen Indische identiteit vooreens en altijd terug? Een identiteit, die verder reikt, dan verzot zijn op lekker makan makan. Ik vrees, dat si Wouter nog een paar van zulke pracht cd's moet vastknopen aan deze. "Komt tijd, komt laat", luidt een oud Chinees gezegde en als Indo ben ik het daar volmondig mee eens. Mond vol met nog een hap sambalan taotjo. Schandalig, maar pedis. Zalig gewoonweg. Zoals mijn Daddy die altijd maakte. Wanneer toch vinden wij onze eigen identiteit terug?
Zo nu en dan, van tettottettot, kun je op het Binnenhof zo’n groepje Indische demonstranten voorbij zien sjokken. "We want semor! We want semor!" Vreetzame demonstratie weliswaar, maar laten ze liever demonstreren voor gelijke gerechten van de mens, wil ik hebben."Liberté! Egalité! Fraternité! Et toewee toesoek saté!!" Wanneer toch, vinden wij onze eigen identiteit? Adoe, jamkaret, werkelijk. Wouter Muller intussen, ik ben trots op hem.
Hij is mijn broer, voor altet.


7 December is de dag

We zullen het hier niet hebben over de dag, dat een vreemde Westerling in Indië orde op zaken zou stellen.
Al geweest, immers? 1952, De familie Piette heeft officieel nog een paar maanden Europees verlof voor de boeg, zonder de bedoeling te hebben naar Indonesië terug te gaan. In de 1e klas van het R.K.Lyceum te Hilversum krijgen wij onze opstellen terug. Ik heb een 9. Mijn eerste opstel in Holland. Baf, daar zal Mamaatje trots op zijn. Hopelijk helpt het een beetje haar boosheid vergeten. Boos, dat Papa en ik ( 10 jaar pas ) hebben besloten
in Holland te blijven. Minpuntje is, dat meneer de Ridder opmerkt, dat ik mij wel erg uitgebreid heb laten inspireren door ......... Tjalie Robinson. Mijn Indische jongenshart slaat een paar maal over. Waarvoor toch?
Het hoge cijfer geeft immers aan, dat er voldoende persoonlijks in het opstel zit. 'In Rotterdam zie ik een Hollander de straat vegen, zie jij dat ook Pap?'. Maar dat die Gooise leraar Tjalie kent! Geweldig, man. Ik glim gewoonweg.
Ik ben er al zo trots op, dat ik zo jong de 'Piekerans van een straatslijper' vrijwel uit mijn hoofd ken.
's Nachts stiekem uit de boekenkast van oom Arie en tante Ietje geroofd, als ik niet kan slapen, omdat ik ergens logeer. 1993, Ik wil beslist het eerste exemplaar van 'Tempo Doelloos' aanbieden aan Lillian Ducelle. Zij komt
er helemaal voor naar Amsterdam. Aan haar oordeel over mijn schrijfsels ben ik veel waarde gaan hechten, en dat is al die jaren zo gebleven. Al schrik ik nog regelmatig 's nachts wakker, als ik haar hoor zeggen, dat mijn poëzie nauwelijks poëzie genoemd kan worden. 1999, Lillian is jarig. Tachtig, van harte lieverd, en nog jaren in gezondheid. Je kookt zeker lekker, vandaag. Wat maak je?


Hoopjes ongerief

Eens in de zoveel tijd vragen ze me om iets te doen voor de mensen. Sprookjes vertellen bijvoorbeeld, daar ben ik erreg goed in, volgens mijn vader tenminste. Een paar nieuwe gedichten voordragen, een verhaaltje uit mijn duim zuigen, geeft niet wat. Bij het WIN, of bij de INOG. Als maar leuk. En dat nu vind ik feitelijk doodzonde. Vervelend zijn ze weet je, die Indo's? Vooral die Inogjes. Altijd maar lachen hier, lachen daar. Ik wil hebben, bespreek ook eens, af en toe, hoeft niet elke keer, een serieus onderwerp. Al heb je het maar over je zusters moeilijke jeugd, over haar blinde darmen, over jouw Alfa Romeo Giulia super, al mogok op de snelweg naar Goeree Overflakee, of over koerang belandja-geld in C1000. Over 'Hoe toch tante, ik heb geen groene vingers, weet je. Al mijn begonia's binnen de kortste keren totaly antjoer. Lijk wel Italiaanse sajoer lodeh, deze.' Misschien wel een beetje te lang dat onderwerp, of ken wel? Maar ik laat tenminste zien. Hoopjes onderwerpen. Noem maar op. Dus deed ik de laatste keer maar 'Het Grootsch Indisch Dictee'. Ik denk, ik zal hun leren. Help te geloven, alweer lachen de hele bende daar. Intussen hun dictee vol met Indische fouten. Hoopjes fouten.Geef neks, als maar geef geluit, bij die lui.
Ik erger me dood, werkelijk. Daarna nog de 'Tempo Doelloos Quiz' gedaan. En ik moet eerlijk toegeven. Indo's zijn hartstikke goed in vaderloze geschiedenis. Ik verlies van hun. Alleen, alweer dat lachen. Om niks. Ik vraag me op een gegeven moment zelfs af 'Lachen ze mij uit, of hoe?' Nou ja, ik vertrek geen spier, hou me maar groot. - 'Dames en heren, mag ik een beetje aandacht?' Tegelijk commentaar. - 'Adoe, zo zielig, die Roy. Heeft aandacht nodig. Kom even op mijn schoot zitten.' Ik weet gewoon niet waar ik kijken moet. En was het nou maar een dame, die dat zei. Neen. Luister. Paree ligt 10 palen ten Oosten van Kediri, je weet. Vraag: 'Hoelang is een paal?'Zegt zo'n ouwe djago achterin, al half ompong, weet je, met zo'n brede scheiding in de midden: 'Vertel even Roy, d'r voor of d'r na?' Ik doe maar net of ik niet goed hoor. Intussen denk ik bij mezelf 'doe niet zo amicaal, kerel. Heb ik soms met je
op school gezeten?' En eigenwijs, eigenwijs, niet te kort. Er wordt gevraagd 'In welk jaar werd de wet
ophet Nederlanderschap in Indië van kracht?' Het juiste antwoord is '1892'. Zegt er één: 'Die wet wordt van kracht in 1896. Fout, natuurlijk, maar waar ik over val is... die wet wordt van kracht. Heeft die vent dan nooit gehoord van 'de onvoltooid verleden tijd, aanvoegender wijs stiller kracht'? Hopeloos. Ga je schoolgeld liever terugvragen man, als je zo praat. Ik wil hebben, praat dan niet. Nou ja, soedah. Alleen dat lachen om de haverklap zit me nog steeds niet lekker. Ik weet, ik weet allang. Lachen is gezond. Sterker, lachen maakt gezond. Toch ben ik maar wat blij, dat ik van mijn moeder heb geleerd, dat het leven in Holland na den oorlog beslist geen pretje is. Gezellig wel hoor, daar bij Indo's. Altijd lekker eten, natuurlijk. Als ze mij weer vragen, ik kom. Dan zal ik hun trakteren.
Op een verhandeling over 'Is er veel hoop na het eten van sambalan peteh'. Ja zeker, hoopjes ongerief, hoopjes. Ga tel Bent u net zo gek als ik, op sommige reclamefilmpjes? Zoals die ene van de Melkunie. 'Ik heb nog zo gezegd, geen bommetje!' Of die andere. Hoe toch ook alweer? Je lah je werkelijk kripoet, als je ziet. De laatste tijd is er ook een, niet zo bi hoor, die op een gegeven moment vraagt 'Need a pentium?' Vaak als ik aan ons Indo's denk, denk ik terug aan mijn allereerste. Nee, niet aan mijn allereerste meisje. Maar aan mijn allereerste computer, die zich kreunend en steunend door wp 4.2 worstelt. Zo langzaam, weet je? Mijn handen jeuken gewoonweg. Je denkt eerst Indo inside zeker deze. Die ouwe 8086 is werkelijk niet vooruit te branden. 'Plan plan', net als mijn broertje. Maar je krijgt wel alle tijd om weg te dromen. Naar verre gebieden, 'never ever' door Columbus ontdekt.
De Poentjak, Banjoewangi, Tjilatjap, Babi ketjap, noem maar op. Mijn eerste meisje worstelt zich ook kreunend en steunend door wp 4.2 hoor, maar zij is van Holland, van de zangvereniging. Dus klopt niet bij dit verhaal. Zoals ik al eerder vertelde, krijg ik aan mijn kraampje op de pasar malam besar regelmatig ideeën aangereikt door wel willende bezoekers. Zo is er laatst zo'n stralende jonge vrouw, jong en ze wil wat, weet je, die enthousiast komt vertellen, dat haar moeder graag een T-shirt te water gelaten ziet met de tekst 'Ga tel'. Licht voorover gebogen overhandigt ze mij de tekst op een briefje: 'Ga tel'. Het staat er echt. 'Jeetje kriebel', denk ik, meer onder
de indruk van de zinderende licht voorover gebogen uitstraling. Heur haar in een moderne kondeh, weetje, haar ogen al ondeugend, haar lippen, adoe soedah laat maar. Haar apa nama nja, haweldih! Eh, wat wil ik ook weer zeggen? O, ja, wat moet je met zo'n idee? Misschien weet u daar raad op. Laat mij weten tegen die tijd. Want u ook 'Indo inside', toch? Plan plan, ik weet immers… Als zij weer voor mijn neus staat, is de jonge vrouw vergezeld door haar moeder. Trots wijst zij naar haar, als de bedenker van de vondst. De moeder is een voorbeeld van de Indische, die in 'negeri koud' de moed niet heeft laten zakken. Goed pensioen, leuke doorzonflat, centrale verwarming, leuke dochter, breedbeeld tv. 'Ga tel je winst', zal zij waarschijnlijk zeggen. Mijn computer van tegenwoordig is betoel betoel snel. Harde schijf al met 98 gigabytes, 64 Mb. intern geheugen, weet je, 350 Mhz Intel inside, wat wil je nog meer? Maar ja, nauwelijks tijd om weg te dromen. Adoe, haar lippen, als een, als een wilde orchidee. Piercing door haar neus. Ik denk eerst gewoon oepil, maar neen. En als ik aan haar apa nama nja's terug denk, opeens 'gatel inside'.


Sneeuwpretjes

December 1950, ik hoef niet langer te dromen van een witte kerst. Het sneeuwt. Op bezoek bij 'tante Dik' in Blaricum proef ik mijn eerste uit de hemel gevallen glas met es poeter. Je doet gewoon een handje sneeuw in
een glas, weet je, rozenstroop erover, klaar. Tegenwoordig kan dat niet meer, vanwege de luchtvervuiling. Gevaarlijk, pas maar op. Straks setinga mati, jij. Wat ik in de jaren daarna steeds minder goed snap, is
de vanzelfsprekendheid waarmee wij Indo's die ijskoude vlokkige massa slikken, als de gewoonste zaak van de wereld. Nog een kind schrik je eerst, je krabt even achter je linker winteroortje en je denkt: 'Hoe ken?' Maar ja,
zo'n gratis glas es poeter is mooi meegenomen, toch? Toch typisch, wij kennen sneeuw immers eerst alleen als uit elkaar geplozen kapok in de kerstboom? Volgens mij lijken wij alleen maar onaangedaan. Binnen het kader van onze tomeloze aanpassingsdriften. Kan niet anders. Binnen datzelfde kader gaan tegenwoordig hoopjes Indo's naar wintersport, geloof je? Ik ook, met mijn oudste dochter en de kleinkinderen naar de Franse Alpen. Gezellig toch? Even het Zwitserleven gevoel van Marion Bloem opsnuiven. Enfin, ik stap met kleindochtertje uit de auto,
al compleet met sneeuwkettingen, weet je. Gehuurd bij de ANWB. Zij ziet die enorme sneeuwmassa en zet
het meteen op een brullen. Van angst, natuurlijk, wat denk je anders? Ik schrik ook, van haar, maar opeens weet ik het weer. Nah itoe dia, Indische oerdriften. Spontaan komt bij die kleine printil onze ingebakken angst tevoorschijn. Voor alles wat blank is. Want die sneeuw daar in Frankrijk is blank, hoor. Je wil niet geloven. Zo blank als de mollige bovenarmen van Sneeuwwitje. Als ik in de verte de Mont blanc zie, moet ik steeds aan haar denken. Aan die mollige bovenarmen van haar. Odile beschikt als elke Indo natuurlijk over een geweldig aanpassingsvermogen. Na een paar dagen éét zij sneeuw. Hopeloos, dat meisje. Ze kijkt me wel aan met oogjes,
die vragen 'Hoe ken, opa?' 'Ken wel, meis', stel ik haar gerust, bind een paar plastic ski's onder haar buggy
en we gaan nog even genieten van sneeuwpret voor Indo's. Kijken, hoe Menno en Lars zich met kinderlijk genot van de besneeuwde hellingen storten. Het enige bekende geluid voor een Indo in de Alpen is het schrapen van hun ski's. 'Srèt, srot, srèt, srot'. Tegenwoordig droom ik nog maar zelden van een witte kerst. Neen, ook niet van Sneeuwwitje. Ik vertel jou lekker toch niet. Je hoeft toch niet te weten, waar ik over droom? Sombong loh, die Indo's daar in Les Arcs. Ze kijken je gewoon niet aan, als verblind door sneeuw. Dat is op de Pasar Malam Besar gelukkig anders. 'Eeh, Pèh, apa kabar? Wil je een pisang goreng van mij? ' Binnenkort weer, op het Malieveld. Rameh.


Kwee mangkok

Het hoogste genot voor mij, afgezien van de sambalan taotjo van mijn vader, is te fröbelen met taal. Er blijft me weinig andere keus over, sinds ik met vier linkerhanden ter wereld ben gekomen. Gebarentaal is daarmee ook al niet voor me weggelegd. Zodat ik mij in vrije uurtjes maar bezighoud met taal te bekrachtigen. Misschien komt
het ook wel, omdat ik een Indo ben. Wij kunnen immers op een bijna onnavolgbare manier de taal bekrachtigen. Zo niet verkrachten. En dan nog lol hebben over onze eigen Indische verbuigingen ook nog Laatst, ik ben alweer vergeten wanneer precies, komt er op de pasar een opgewonden man bij mijn santenkraampje staan. Hij mist een bepaalde essentieel Indische tekst op een van mijn lollig bedrukte T-shirts en mokken. 'Adoe, mijn tand hij watert', glundert hij. Ik kijk hem wat glazig aan en beloof deemoedig in de omissie te zullen voorzien. Je kunt een Indo maar beter niet tegenspreken. Voor je het weet 'mata gelap' anders. Een paar dagen later, sta ik in mijn pauze aan de bar te lurken aan mijn jus met pisang Ambon. Naast mij staat een stel amoureus te kletsen. Allebei midden veertig, zo te zien. Ik ken haar ergens van. Blozend tot ver achter mijn oren ben ik getuige van de volgende dialoog: - 'Loh, jou piercing boleh, sèh.' - 'Ai, moet je mijn kwee mankok proeven. Adoe, jou tand hij watert!'
Eerst begint het me te duizelen en vermoed ik zelfs even, dat er tegen me wordt samengespannen. Als er meer dan tien Indo's op een vierkante meter staan, moet je uitkijken, immers? Op haar blote linkerschouder, die zij bijna maar in mijn jus duwt, schittert een vuistgrote moedervlek in de vorm van het eiland Saparua. Valt mij op, ken ook neks aan doen. Van onder haar oksels stijgt een walm op van Soir de Paris, subtiel vermengd met de geuren van durian, rosbief en sambalan tempeh. Valt mij gewoon op, ken ook neks aan doen. - 'Druk vandaag', mompel ik beduusd tegen mijn buurman, oud Marineman, later in Holland lokettist bij de post, nu handelaar in Chinese klokken (Komt tijd, komt laat). - 'En zo benauwd, ja?', antwoordt hij beleefd. De twee grijze tortelduiven, zo weggelopen uit ‘Indorock Café, spoeden zich op aandringen van een ladyspeaker naar het Bibittheater. Langzaam begint het me te dagen. Neen, geen rosbief, geen dengdeng manis. Jah, ik weet al. Ik weet allang. Ik ken haar natuurlijk van haar kwee mankok. Geweldig, weet je... haar kwee mankok. Als ik aan de beide denk,
adoe, mijn tand hij watert.


Geef neks

Meervoudige observatie van bezoekers op de Pasar Malam Besar heeft me er uiteindelijk van overtuigd, dat Indo's om werkelijk het minste geringste geweldige herrie met elkaar krijgen. Nog niet eens watwat, al watwatjij. Mijn oudste zoon heeft als hobby (had hij maar net als ik een vak geleerd) het bedrukken van T-shirts met pakkende 'Indo-teksten'. Deze gaan als warme broodjes over de toonbank. Een van die teksten luidt: 'Loh geef neks, als geef maar geluid'. De jongen heeft volgens zeggen veel verstand van Alfa's. Een longitudinaal onderzoek mijnerzijds, tussen neus en lippen gedaan tijdens de vele pseudo-pasars, die in dit land door Jan en Aliman op touw worden gezet, geeft o.a. de volgende resultaten: De meeste reacties zijn afkomstig van de groep Indische meisjes in
de leeftijdscategorie 13 - 31 jaar ( 27 respondenten ). Meest gehoorde reactie: 'Ach, zo zegt Oma het ook altijd...' Als goede tweede volgt de reactie van oudere Indische heren in de categorie 35 - 53 jaar ( 14 respondenten ). Negen ervan reageerden met: 'Fout!! Het moet zijn Loh, geef neks, als maar geef geluit.' De overigen zijn, of liever waren, bestuurslid van een van de vele Indische culturele verenigingen. Met als voornaam oogmerk in hun bestuur gezellig te kunnen ruziën. Om neks werkelijk. En dan ook nog eens vlak voor ons kraampje. Verlegen, immers?
Ik weet gewoonweg niet waar ik kijken moet, af en toe. Velen zijn 'stante pede' uit de besturen geknikkerd.
Ten eerste, omdat ze toch al geen bal uitvoerden. Ten tweede, omdat zij de euvele moed hadden te menen, dat taal leeft. Ook Indische taal. In ieder geval op de T-shirts van Micha. En bij al die jonge 'belanda gorengs', die ze gretig bij hem afnemen. De nog zittende bestuursleden zijn sedert 27 december 1949 van mening, dat 'Indische Cultuur' niet meer bestaat. Dit is zeker waarom zij op hun krent blijven zitten. Een van hen is, heb ik van horen zeggen, voornemens protest in te dienen bij de Koningin. Tegen de shirttekst 'Super Indo'. - ‘Wij zijn verdikke geen allochtonen!’, briest hij, ’Wij zijn geboren op Nederlandse bodem! Daar sta ik op!’ Die gaat op een gegeven moment een bodemprocedure beginnen, wat ik je brom. Kunt u er nog een touw aan vastknopen? Ik haal mijn schouders op en denk gewoon: ' Geef neks. Je blaas maar, toch? Je beuk maar raak, joh.
Als geef maar geluit...'


Droomgebieden, geen van alle ooit door Columbus ontdekt

Buiten is het winter. Voor me liggen een foto en een fotografie, respectievelijk van een Indiaan en van
een beeldend kunstenares. Verwondering en verbazing bij het zien van het werk van deze in Limburg geboren kunstenares. Haar accent verraadt dit onmiddellijk. De beweging in haar krijttekeningen geenszins. Die doen eerder denken aan de wulpse bewegingen van de Jaipong, een traditionele dans van Westelijk Java. De fotografie is al even verhullend. De prent is van een fotograaf, die door het leven springt als een Indojana Djoons. Bruin als een doorbakken roze gamba, deze verdwaalde indiaan. Ik weet allang, Indische jongen deze. Maar hoe ken? Fotograaf, dichter…. Indische jongens werken toch bij het ministerie van defensie. Of anders bij de ABN Amro?
De kunstenares geeft op de bewuste fotografie weinig van zichzelf bloot. Integendeel, ze brengt juist een wit masker bij zichzelf aan. La paloma bianca. Waarom neemt ze niet een fatsoenlijke baan? Als modiste of als parkeerwachter. Wanneer je de moeite neemt haar werk nauwkeuriger tot je te laten doordringen, wordt
het duidelijk. Je raakt al snel ‘bewitched, bothered and bewildered’. Als je niet oppast gaan haar tekeningen met je op de loop, naar verre mysterieuze gebieden, geen van alle ooit door Columbus ontdekt. Wij weten inmiddels beter dan Columbus zelf, dat hij Indonesië nooit heeft ontdekt. Ook al noemt hij de mensen, die hij ontmoet Indianen en al heet de Indiaan op de foto stomtoevallig Roy Pete. Hij lijkt niet alleen op me. Hij is op zijn ouwe dag in het voormalig indianenland, in de buurt van Fort Washakie, Wyoming, nota bene ook bezig zijn eeuwige achtergronden te ontdekken, vorm te geven en uit te dragen. Wat een geluk, dat ik heilig in toevallen geloof.
Als ik op een onbewaakt ogenblik kans zie de kunstenares een masker af te rukken, komt de aap uit de mouw. Deze paloma bianca is een belanda hitam. Is er nog iemand, die weet wat een belanda hitam is? Een handje vol weet dat, misschien. Af en toe bekruipt mij het gevoel, dat men in Holland niet graag herinnerd wordt aan àl het grootsch, dat gindsch werd verricht. Indische mensen wordt misschien wel daarom dringend aangeraden zich meer te assimileren, dan ze in hun hart bereid zijn. Als ze er niets aan doen, blijft de Indo een post ‘Onvoorzien’ op
de rekening van een rijk koloniaal verleden. Ogenschijnlijk voldoen zij, als eerste minderheid in het Holland van ‘na den oorlog’, braaf aan de met zachte drang doch dwingend opgelegde ingburgeringsplicht. Maar, al hebben
ze nog zo’n mooi uniform aan, van de parkeerwacht of van de ING- bank, je weet driedelig met terloopse krijtstreep, ze lopen gegarandeerd met hun voeten iets naar buiten wijzend, de knieën lichtjes gebogen, afhangende schouderpartijen. Malu kutjing. In de kleding, die een jonge ontwerpster, haar teint ‘seperti kulit langsep’, haar ogen al ondeugend, haar lippen ‘aduh, sudah laat maar’… In de kleding, die zij behendig voor je snijdt, ontdek je meteen heel dubbelzinnig sierlijk erotische lijnen van een straks vergeten Javaanse dans.
Al zal Lieve, postkoloniaal Indomeisje uit Den Bosch, ervoor zorg dragen, dat de herinnering aan die dans voorlopig levend blijft. Zij heeft de bewegingen van haar moeder geleerd en die weer van haar moeder.
De onmerkbaar blozende kunstenares intussen, haar voetjes in de uitgangspositie, gunt gretig haar weelderige wild geurende orchideeën aan Japans papier. Buiten is het winter, binnen brandt de eeuwige vlam van Indische onzekerheid. Onder een denkbeeldig witte deken van sneeuw en ijs, besef ik, zijn honderden naoorlogse Indische mensen, ieder op hun manier, stilletjes bezig hun gemengde culturele achtergrond vorm te geven en uit te dragen. Ook voor hen is het tijd voor ‘Reformasi’, de hoogste tijd om te ontsnappen aan de dictatuur van
een pijnlijk verleden. Ik was beslist van plan hier te schrijven over ‘Postkoloniale Indo-invloeden op kunst en industriële vormgeving’. Invloeden, die minder licht verteerbaar zijn, dan die van dat ongewoon Indische meisje met haar Zwitserleven gevoel, of van die roekeloze bedwinger van Indische top der duinen. Daarover een andere keer maar. Je weet wat ING betekent, toch? Niet? Indo Nederland Geboren,tierlek!


Geen punt

“Geen punt”, denk ik telkens op het moment, dat ik me realiseer, dat elke periodiekenschrijver vroeg of laat wordt geconfronteerd met het virtuele verschijnsel ‘deadline’. Meestal pas laat. Geen punt. Geen punt aan mijn potlood. Hoe dan? Hoe kan ik zo een column schrijven, zo zonder punt aan mijn potlood? “Zorg er dan voor, dat je zaakjes in orde zijn, kerel! Neem een voorbeeld aan Dorie. Zij heeft haar zaakjes altijd picco bello voor elkaar”, hoor ik mijn moeder al mopperen. “Daar kun je een puntje aan zuigen, als je wil!” Met zulke, vooral tot mijn verbeelding sprekende, dikwijls hardhandige aanbevelingen ben ik mijn hele jeugd door mijn ouders gedrild.
Een repatriërende dwanghandeling met als doel hun zoon te ontplooien tot accuraat, deugdzaam, aangepast, Nederlands staatsburger. De vraag is, of die energie goed is besteed. Aan een Indo of een nazaat ervan.
Het antwoord hierop laat ik over aan cultureel antropologen. Een studierichting overigens, die volgens mij heel geschikt is voor postkoloniale Indo’s. Als zij zonodig drs. Voor hun naam willen krijgen. Ook dit is een slag in
de lucht, die ik bij de antropologen deponeer. Gampang. Dat ik mijn moeder dergelijke raadgevingen nog steeds voel zeggen, terwijl ze al jaren geen ‘boe of bah’ meer zegt, heeft niets te maken met, dat ik stemmen hoor, hoor. Ik praat nog bijna dagelijks met haar, moet je weten. Ik heb trouwens nog wel meer vooronderstellingen bij de hand, die studie waard zijn. Eentje dan: Indo’s staan erom bekend, dat ze veelvuldig hun handen wassen (daar kun je hier in Holland voor in therapie, heb ik me laten vertellen) en ze zijn verminderd accuraat. U weet wel,
‘je blaas maar, je beuk maar raak, als maar geef geluid’. Laat ik vooropstellen, dat ik uit een familie kom, waar ze door de eeuwen heen er maar niet toe gekomen is de puntjes op de -e te zetten. Begrijp me goed, ik zou maar al te graag een puntje aan Dorie willen zuigen. En ook de puntjes op haar ie zetten. Maar dat terzijde. Voordat u gaat bellen, u heeft gelijk. Ik heb het net opgezocht in die dikke van Dale. Het moet zijn ‘pico bello’. We schrijven wel ‘piccolo’. En zeggen piekolo, lees ik. En we zeggen pikkalille, op zijn Moluks. Adoe, onze taal is muulek.
“Sorry, ja mam. Ik maak door maar grapjes met jou. Maar het is toch zo? Dat je onze achternaam schrijft zonder puntjes op de –e. Je hebt ons dat nog zo geleerd. Toch blijft Jan en Alleman er maar puntjes op zetten. Ze zijn zo accuraat, die belanda’s. Hopeloos…” Ik was mijn handen door maar in onschuld. In Paramaribo zeggen ze
“What’s in te Suri name”. Maar wij, wij zijn Pi Jetjes precies. Dus, nog één keer: Puntjes op de -i, moet jij zelf weten. Maar geen puntjes op de -e. Denk daar om. Gewoon, Micha Armand Piette. Even wat anders, die meneer van Dale, hij wacht nog steeds op Atjeh, hoor ik. Bongol, die vent. Hij wacht daar zeker op zijn backpay.


Lieve Olaf

Vanmorgen dacht ik ‘Jah Illah, vandaag viert mijn broertje een 25-jarig jubileum’. Geweldig. Ondanks je kalende grijze kop ben jij altijd mijn broertje gebleven. Ondanks ook het feit, dat ik je op je zestiende niet meer fysiek
de baas kon zijn, je niet langer naar mijn pijpen kon laten dansen. Waarmee een van mijn favoriete hobby’s door jou de grond in werd geboord. 25 Jaar bij het SFB das niet mis. Je vierde onlangs al een ander jubileum, 25 jaar met Elma, een zo mogelijk nog grotere prestatie. In deze 25 jaar, hebben jullie nog een andere prestatie geleverd. Ik zie hem daar zitten. Vanuit mijn vak weet ik, dat je het als ouders altijd verkeerd doet, en ik heb jullie dus steeds laten weten, dat jullie Arjan helemaal verkeerd aan pakten. Ik moet echter toegeven, hij is de derde fatsoenlijke Piette van na den oorlog. De eerste was je vader en de tweede ben jij, Olaf. Fatsoenlijke mensen zijn mensen, waar je ondanks hun niet na te vertellen eigenzinnigheid op kunt bouwen. Zo zal het SFB je ook hebben leren kennen, daar weten ze immers wat bouwen is, zo kennen wij jou. Je vader zou zeggen ‘Had je moeder, dit maar mogen meemaken’. Inmiddels is ook hij verhinderd getuige te zijn van deze heugelijke gebeurtenis. Jammer. Josta en ik en alle andere vrienden en collega’s zijn er, om deze dag met je te vieren en en passant, dat hoort zo bij Indo’s, daar lekker bij te eten. Blijf maar niet meer zolang meer bij dat SFB, maar blijf nog jaren bij ons in
de buurt. Ik moet toegeven, broertje, dat het stukken prettiger is, om op iemand te kunnen bouwen,
dan te proberen hem naar je pijpen te laten dansen.


Vaarwel Indië, vaarwel

Hij mocht er niet bij zijn, si Jorge. Daar kwam niks van in. Wij in Nederland weten gelukkig heel goed wat fout is. Dat wij zo goed op de hoogte zijn van goed en kwaad heeft waarschijnlijk alles te maken met de 360 jaar koloniale leerschool in de Gordel van Smaragd.Het begon allemaal lang gelee met de VOC. De tranen van Maxima rolden dan ook voluit over de buis. Vaarwel Papa, vaarwel. Indische Nederlanders zijn door de eeuwen heen meer dan Oranjegezind geweest. In Indië duurde Koninginnedag een volle week. Alhoewel wij Hare Majesteit daar nooit in levende lijve hebben ontmoet. Het klimaat was waarschijnlijk slecht voor haar teint. Zij was nu eenmaal het symbool voor onze nieuw verworven identiteit. Indo-Europeanen, niet van een mindere maar ondubbelzinnig wel van een andere kwaliteit, waren op zeker moment in de koloniale geschiedenis godzijdank niet meer over een kam te scheren met de inlander, de Indonesiër. Dat was destijds een mijlpaal. Indonesië schijnt zich niet al teveel van mensenrechten aan te trekken, vinden wij op dit weilandje aan de Noordzee. Toch behoort het land inmiddels tot een gerespecteerd land, met gerespecteerde burgers. ‘Times they are changing’. Verworven rechten gedurende Tempo Doeloe bieden geen garantie voor de toekomst. Inmiddels lopen er nogal wat Indische nakomelingen rond op dit volgepakte weilandje. Nakomelingen van de eerste generatie Indische Nederlanders, die zo’n vijftig jaar geleden hier uiterst koel zijn verwelkomd. Zij zijn aan de aandacht van een zekere Fortuyn ontsnapt. Geen wonder, van meet af aan gedroegen zij zich immers Hollandser dan de Paus ooit kon voorwenden. Dat was niet eens
het grootste probleem. De grootste moeilijkheid als gevolg van de immer veranderende tijden is, dat niet meer zo duidelijk is, wat goed en fout is. Waren de Indonesische vrijheidstrijders onder leiding van hun met de Japanners heulende bendeleider Bung Karno destijds goed of fout? En opstandelingenleider Willem van Oranje slechts fout in de ogen van Philipus de tweede? Onze koningin heeft de eerste president van Indonesië nimmer uitgenodigd voor een tuinfeest op ons weilandje. Wel zijn opvolger, die momenteel gezien werd als een van de grootste boeven beneden de evenaar ooit. Net zo’n grote boef als Poncke Princen? Appels en peren kun je slechts met moeite met elkaar vergelijken. Ze vallen beide echter niet ver van de boom. Vandaag fungeert het prachtige eilandenrijk tussen Sabang en Merauke als een gewild vakantieland voor velen die er ooit geboren zijn, of er in ieder geval hun roots hebben liggen. Er is na dik vijftig jaar ruimte voor een gebaar, van spijt. Jongere generaties Indische Nederlanders krijgen vrijelijk belangstelling voor hun andere dan Europese roots. En voor de specifieke pwerikelen tussen hun oren. Daar kun je tegenwoordig voor in therapie. Er bestaat gerede twijfel aan het nut ervan. In mijn hart en in mijn nieren blijft immers voortdurend die andere tango klinken ‘Vaarwel Indië, vaarwel. De baat die
een gebaar van spijt eventueel kan hebben zal van korte duur zijn.In Jakarta is onlangs geprotesteerd
tegen de viering van 400 jaar VOC. Het moet niet gekker worden.


Naar het land van herkomst

2 November 1899, Batavia Meester Cornelis. Edu ziet het levenslicht, knippert met zijn ogen en zet een keel op van jawelste. Er is, naar zou blijken, een kosmopolitisch schrijver geboren. Zijn geboortehuis droeg de naam ‘Gedong Menu’en was het grootste ‘herenverblijf’ in Kampong Melaju, zoals die door welgestelde blanken werd bewoond. Toen Edu er geboren werd, stond het daar al zeker 100 jaar. Vanuit dat huis verbreedt de kleine Edu, langzaam maar zeker, zijn horizon. Eerst op Java, uiteindelijk belandt hij na omzwervingen in het schildersdorpje Bergen in Noord-Holland. Edu weet nog niet, dat hij ooit, daar aan de andere kant van de wereld, deel gaat uitmaken van de fine fleur van de vooroorlogse Nederlandse literatuur. Voorlopig heeft hij zijn handen vol aan zijn baboe Amila, die er tot zijn veertiende voor hem is. Als Edu zeven is, verhuist het gezin naar Balekambang,
een zandbaai aan de Zuidkust van de Peanger. Daar onderneemt zijn pa een poging tot het opzetten van
een rijstpellerij. Edu gaat intussen naar school, in Sukabumi en Batavia, maar heeft daar meer belangstelling voor het verenigingsleven, toneelspelen en sport (boksen). Zo’n jongen heeft weinig andere keus, dan zich te ontpoppen als iemand. Die het penvoeren tot middel van bestaan zal kiezen. 1921 Met zijn ouders naar Europa. Waar zij uiteindelijk hun intrek nemen in een kasteeltje te Gistoux. Edu had kennis aan een zekere A.C.Willink , die zijn verhalen regelmatig illustreerde. Hij schreef en schermde, Edu vereenzelvigde zich graag met d’Artagnan, met A.Roland Holst. In Parijs, 1922, hij woonde er met zijn 2e vrouw, schreef Edu zijn eerste roman
‘Een voorbereiding’. Onder het pseudoniem Duco Perkens. Tot 1926 publiceert Edu uitluitend onder dat pseudoniem. In dat jaar echter maakt hij daar abrupt een einde aan. Ook aan het zogenaamde bestaan van Duco. In de uitgave van ‘De volledige werken van Duco Perkens’ schrijft Edu een pakkend nawoord over de
‘te jong gestorven penvoerder’. In het tijdschrift ‘Nederland’ verschijnt prompt een In Memoriam voor Perkens. Edu nam het in zijn schrijverschap erg op voor Multatuli. In 1936 reist Edu af naar zijn land van herkomst. 1939 weer terug naar Holland 14 mei 1940, Charles Edgar du Perron, 41 jaar, overlijdt in Bergen Nh.
Zijn literaire reis is voorbij.


Topografie

Hoogezand, Sappemeer, Oude Pekela, Nieuwe Pekela, Scheemda. Een paar flarden van het rijtje, dat ik vroeger in Indië erin moest stampen. De hemel zal weten waarvoor. Niemand wist toen, ook in Holland niet, dat de provincie Groningen eigenlijk op een enorme gasbel drijft. Dat zou het misschien wat spannender hebben gemaakt. Holland als decor voor een spannend jongensboek. Bij het topografische rijtje van Kalimantan, Borneo toen nog, dreunden wij: Pontianak, Bandjarmasin, Balikpapan. Dat leek dichter bij mijn bed. Er wonen koppensnellers. Wow.
In de bodem van Kalimantan, lees ik nu en lees maar even met me mee, bevindt zich een voor Indonesië niet onbelangrijke energiebron, steenkool. En wie weet ook wel gas. Belangrijker op het forse eiland is van oudsher
de in de wildernis gewonnen rotan en de rotanteelt. Grondstof voor allerlei gebruiksvoorwerpen. Van Winschoten tot Roodeschool vrijt menig stel tegenwoordig in een bambu hemelbed. De rest van de wereld heeft echter meer belangstelling voor het ‘groene goud’ van Borneo. De Indonesische overheid verleent maar al te graag houtkapconcessies, gezien de daarmee binnenstromende deviezen. En dat is jammerlijk, weet zelfs een kind.
Nog maar een fractie van de op het eiland aanwezige flora en fauna is in kaart gebracht en met de kaalslag van
de oerwouden verdwijnt daarvan een ongekend deel. Langzaam maar zeker verdwijnt ook de wankele basis van bestaan voor de oorspronkelijk inheemse bevolking. Nederland is per hoofd van de bevolking een van de grootste verbruikers van hardhout. Voor de Dayaks waren Nederlanders vanaf het moment, dat zij voet aan wal zetten op Borneo, gekende vijanden. Nauwelijks te snellen hardhoofden met een merkwaardige beleving van en filosofie over machten seksualiteit. Dayaks, eigenlijk een verzamelnaam voor verschillende etnische groepen, werden door
de eeuwen heen overspoeld door Chinezen, Indiërs, Kaaskoppen en Maleiers. Argeloos werden zij door hen terzijde geschoven als onontwikkelde, achterlijke wilden, met hun merkwaardige beleving van en filosofie over leven en dood. Pim, zelf toch niet te beroerd om koppen te laten rollen, zou waarschijnlijk zijn neus voor hen hebben opgehaald. Niet voor hun prachtige houtsculpturen, maskers en talloze andere kunstuitingen. In een eerdere column noemde ik de onbeschrijfelijk schone kunstvoorwerpen, die dat achterlijke volkje, niets nuttiger te doen immers, naast hun verering van voorouders en eigenaardige verzamelwoede, creëert. Van materiaal, dat het bos hen schenkt, maken zij met eindeloos geduld en vrome liefde, adembenemende juwelen, waar de wenkbrauwen telkens weer van omhoog gaan. Voor de Westerling is het heel aantrekkelijk, om als toerist, er zijn uitstekende vliegverbindingen, het eiland met voeten te treden en wild om zich heen te schieten met een digitale camera.
In een wip levert dat een interessante digitale diapresentatie op, ter vertoning ergens in een tentenkamp op het Malieveld. Er is nog veel meer moois te beleven in de Indonesische archipel. Hoogezand, Sappemeer, Bali, Lombok, Flores, Sumba, Sumbawa. Daarover later misschien meer. Op de Pasar Malam Besar sprak nog niet zolang geleden een jonge en veelbelovende presentatrice bij herhaling over “Bor, nee joh”.
Kalimantan, lieverd.


Het versierde lichaam

Hoofddoekjes zijn tegenwoordig in. Niet alleen bij Moslimmeisjes, want zelfs modehuizen als Versace en Chanel hebben alert erop ingespeeld en daarin een eigen lijn ontwikkeld. Als deze tenminste echt zijn, want je komt vandaag de dag een hoop neppers tegen. Reactionaire autoriteiten hebben geprobeerd deze vorm van vrije uiting te verbieden. Toen dat niet wilde lukken, kwam alras de chador om de hoek kijken. Je vraagt je af, hoe een mens anders zijn ware gezicht verborgen kan houden. Daar is een mens immers vrij in, zou je zeggen. Al wil je gehuld gaan in een Egyptisch gordijn. “Dat moet je zelf weten”, zou mijn moeder misprijzend zeggen. De rector
van een scholengemeenschap in Den Haag verbiedt niettemin zijn leerlingen het dragen van Londsdale kleding.
In Indië is zwarte kleding deftig. Je vraagt je af, hoe kan een mens nog anders zijn eventuele narzistische sympathieën uitdragen. Dit zijn ronduit koloniale toestanden. Zo meende destijds een ambtenaar in het voormalig Nederlands Indië het dragen van bepaalde provocerende hoofdtooien door de mannen van de Tanimbar eilanden domweg te kunnen verbieden. Met instemming van Missie en Zending. Het waren reusachtige hoofdtooien gemaakt van prachtige veren en felkleurig katoen, die de bedoeling hadden vooral het andere geslacht te imponeren. Ter oriëntatie, de Tanimbar eilanden bevinden zich helemaal aan het eind van het bekende rijtje Bali, Lombok, Sumba, Sumbawa, Flores, Timor. Indonesië het land van de 13.000 eilanden is, in ieder geval in Nederland, wereldberoemd geworden met de ontelbare klederdrachten, die het uitgestrekte eilandenrijk kent.
De ene nog mooier dan de andere. Een Pasar Malam is gewoon niet compleet zonder een wervelende show van klederdrachten uit de Minangkabau, de Bataklanden, noem maar op. Bali niet te vergeten. Het is niet alleen kleding, als het bij de naakte mens om versieren gaat. Een tatoo of een piercing behoren al beschavingen lang tot de middelen om iets meer over jezelf uit te dragen. Op het Indonesische deel van het eiland Borneo, tegenwoordig Kalimantan geheten, droegen de Dajakers loodzware ringen door hun oren. Zowel de mannen als de vrouwen. Vaak meerdere aan een oor en dermate zwaar, dat de pijnlijk op de proef gestelde oorlellen op den duur enorme gaten gingen vertonen. Bij hun komt dan ook de uitdrukking vandaan: “Wie mooi wil zijn, zal pijn lijden.
“Wat je mooi noemt”, zou mijn moeder zeggen. Haar dochter kreeg vlak na de geboorte, zoals het hoort, simpel een schattig 24 karaats gouden oorbel, een gewoonte die in Holland in onbruik is geraakt. Mijn jongste zoon heeft een piercing laten aanbrengen door zijn linker tepel. Kurang ajar die vent. De oudste draagt een gouden ring aan zijn linker oor, terwijl hij zich aanvankelijk afvroeg, of de keuze van links of rechts misschien ten onrechte iets zou veronderstellen over bijvoorbeeld seksuele geaardheid. Ik probeerde hem daarin gerust te stellen door te opperen: “Welnee jongen, je bent gewoon links dragend.” De dikwijls fraai bewerkte peniskokers van de Papoea’s mogen in deze opsomming van mooie dan wel aparte lichaamsversierselen niet ontbreken. Dezelfde Dajakers,
met die enorme oorlellen, boorden zonder te verblikken of te verblozen ook nog een glimmend metalen stift door hun penis. Ik zie hun al daarmee paraderen op het festival van ‘Wie heeft de leukste?’.


Spiritualiteit en geestelijk leven van een Indisch kind

In Indië gebeuren meer dan elders op de wereld geheimzinnige en onverklaarbare dingen.Ongelooflijke dingen, die toch echt gebeurd zijn. Dit alledaags gevoel voor mystiek van Indische mensen heeft een voornamelijk Javaanse oorsprong. Het is een poging om vat te krijgen op het noodlot en mogelijk onheil te weren. Het gaat hierbij om kleine, overzichtelijke gebruiken, zonder diepfilosofische achtergrond. Dingen, die je zorgvuldig uitvoert of juist vermijdt te doen. Nooit vuurvliegjes vangen, want dat zijn de nog dolende zielen. Vertel een nare droom nooit voor het middaguur, want anders komt deze misschien uit. Niet doen. Altijd je handen wassen na een bezoek aan een begraafplaats. Waarvoor? “Doe ‘t nou maar gewoon”. Mijn Javaanse overgrootmoeder, Simah, die
de huwelijksakte ooit tekende met een kruisje ( ‘omdat zij den schrijfkunst niet machtig was’ zo stond in
een voetnoot vermeld.) bracht elke vrijdagochtend , jumat, een bord eten naar het graf van haar man, een Belgische soldaat - boekbinder. Zij deed er steevast een jenever bij, dat aan het eind van de dag natuurlijk in
de hitte verdampt was. De geurige rijst met de vogels gevlogen. “Hij is er nog steeds dol op”, wist zij zeker. Simah kende ondanks haar in de schoot geworpen rol van ‘echtgenote van de bibliothecaris te Magelang’, haar plaats temidden van goden en geesten en zij hield ze te vriend. We zullen hier in het midden laten, of zij haar man ervoer als een god of als een geest. Zij onderhield een goede band met de dukun in de dessa, waar zij opgroeide.
Haar eerste kleinzoon, die bij zijn geboorte al ten dode was opgegeven, als gevolg van een destijds nog ongeneeslijke bloedziekte, mocht zij met toestemming van haar zoon, mijn opa, door de dukun, dorpspriester tevens gebedsgenezer, laten ‘behandelen’. Feit is, dat Joseph, die verder als Indonesiër opgroeide, tot aan
de bersiap heeft geleefd. Hij was toen 32 jaar en werd toen om het leven gebracht door zijn revolutionaire maten. Nadat zij ontdekten, dat hij een Europese naam droeg, Piette. Mijn eerste rol op het toneel was die van tomaat. Zonder tekst, 6 jaar. De opbrengst van de uitvoering was ten bate van het weeshuis op Ambon. Ik woonde op
het eiland met mijn ouders sinds 1946. De uitvoering vond plaats in ‘de stad’. Ons huis bevond zich een eindje daarbuiten en tussen beide plekken stond een bos waar Neneh Luhu rondspookte. Als ik onze koki mocht geloven. Dat wilde ik niet, maar ik deed het. Een heks met een paardenpoot, Neneh Luhu. Om de een of andere reden miste ik na de voorstelling het busje met spelers en ik besloot met kloppend hart dan maar lopend naar huis te gaan. Een dapper besluit, dat ik ten halve uitvoerde. Sidderend van angst rende ik terug naar waar men mij al zocht. Mijn ouders zagen er streng op toe, dat ik mij geen onzin liet wijsmaken door de bedienden. Dat paste niet in hun streven vooral Europees te leven, waar het een goede gewoonte was vroom te geloven in slechts de ene ware God. Wat een armoe, in Indië stikt het van de goden. Geen wonder, er gebeuren immers teveel tegenstrijdige dingen. Die onmogelijk uit de koker van een god kunnen komen. De goden- en geestenwereld in Indië is in feite een afspiegeling van de mensenwereld. Je hebt kwaadaardige geesten, goedaardige, onschuldige bos- en plaaggeesten. Die lelijke heks zat tussen mijn oren, weet ik nu. Maar dat was toen beslist geen pretje. Het land van dat zal wel, dat land van wat jammer Het zal niet lang meer duren, voordat de laatste persoonlijke ervaringen van mensen, geboren of getogen in het Indië met hen in het graf zijn verdwenen. Zand erover, zal wel, lekker belangrijk. Zelf kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat veel van wat er over tempo doeloe in Nederland op schrift is verschenen fungeert als een vorm van gewetensussing naar aanleiding van wat wij daar allemaal hebben uitgevreten. Of naar aanleiding van wat wij daar aan grootsch zouden hebben verricht. Althans daar is de meeste aandacht naar uitgegaan. Naar boeken, die voorzichtig en omfloerst dikwijls aan de orde stellen, wat alleen al
het wetenschappelijk polderracisme uit die periode aan emoties heeft teweeg gebracht. Aan onmogelijke liefde
en groot verdriet tussen twee volkeren. De belanke bezetters en hun als zodanig beschouwde donkerbruine horigen. Het halfbloed kroop niettemin waar het niet gaan kon. En een mens is immers geneigd vooral zijn aardigste herinneringen te bewaren. Ik heb het niet over Hella Haasse. Zij komt nog het meest integer over van al die belanda schrijvers en terecht kan zij beschouwd worden, als de belangrijkste auteur, die zich ooit aan Indië waagde. Met een bevroren gretigheid zette ik ergens in de zestiger jaren haar ‘Oeroeg’ op mijn eindexamen literatuurlijst. Niet alleen omdat het een snel leesbaar boekje is. Maar ook omdat ik vanuit mijn verlaten gevoel hier in dit koude kikkerlandje en mijn niet weg te branden hang naar romantiek getroffen werd door de aandoenlijk beschreven vriendschap tussen een inlander en een totok. Maar neem nu de onlangs verschenen historische roman ‘Land van zal’ van Elizabeth Nobel en lees: Een rebelse dochter uit volbloed (Nederlandse) ouders vertikt het om braaf in Holland te gaan studeren. Rechten in Leiden bijvoorbeeld. Neen, zij gaat er met zo’n inlander vandoor. Wel heb ik ooit, in dat land van ooit. Hij is weliswaar zoon van een sultan, maar toch.
Het krijgt wel wat weg van een regelrechte poging tot rasverminking. Wah, zij heeft beslist hinder van hechtingsproblematiek, dat wicht. Gegarandeerd. Hella Haasse maakt een onderscheid tussen schrijvers die zich Indisch mogen noemen, zij die zich zo niet mogen noemen, auteurs die hun ervaringen in de Jappenkampen noteerden en tenslotte de in Nederland geboren auteurs, kinderen van in Indië geboren ouders. Van deze laatste categorie ken ik eigenlijk alleen maar Marion Bloem. Dat komt waarschijnlijk omdat zij mooi kan vertellen, mooi schrijven en ook mooi zijn op haar tijd. Anderen die in die categorie thuishoren zijn in Nederland weinig bekend. Wellicht, omdat zij vooral schrijven of zingen voor en over de ‘kleine bung’ zoals Marion het zo mooi kan zeggen. Dat heeft geresulteerd in een stapel grotendeels genegeerde boeken. Over de 364.789 verdoolde bootvluchtelingen avant la lettre, uit de jaren vijftig, die zich minder kunnen bekommeren om eventuele gewetenswroeging van de verindischte en verdoolde totok. Zulke wroeging, verhuld in een quasi historische romanvorm krijgt gemakkelijker aandacht hier in Holland, dat land van jammer. Dit neemt niet weg, dat Elizabeth Nobel mooi kan vertellen, mooi kan schrijven en mooi kan zijn, op haar tijd. Haar boek is een juweeltje, zondermeer. Ik heb het in een adem uitgelezen. Terwijl het werkelijk een pil is van heb ik jou daar. Net als ‘Land van herkomst’ van E. du Perron. Elizabeth hanteert een heerlijk ontspannen maar gedecideerde stijl, zodat je zonder aarzelen gelooft, dat alles klopt. Zwart op wit. “ Ik zal, eens zal ik, ik leef nog steeds niet in het nu, maar in een ander land” Adoe, tranen met tuiten, ik. Is het nou le lettre of la lettre?
Sudah, het is in ieder geval l’amour.


Schone kunsten, vuile handen

Het begrip schone kunsten veronderstelt, dat deze de emotie van ‘tot deemoedige stomheid geslagenheid’ oproepen. Dat is lang zo geweest en nog wel, getuige de kuddes bezoekers van bijvoorbeeld het van Gogh museum. Moderne kunst kietelt ook andere emoties, zoals angst, boosheid, maar ook blijdschap. Na de 2e wereldoorlog heeft langzaam maar zeker, op een bijna Indische manier, langzaam maar zeker, het idee post gevat, dat kunst dient te provoceren en in eerste instantie een ongemakkelijk gevoel te geven. Dat is m.i. slechts ten dele waar. Er is nog andere kunst. Indonesische kunst was oorspronkelijk het middel om de communicatie met goden en geesten in stand te houden. Of het nu ging om de schone kunsten van de Dayaks of om kunst aan
de Javaanse hoven. Een werkelijk kunstwerk was bijna niet van deze wereld en vulde de ruimte met een zekere goddelijke aanwezigheid. Voor Nederlandse schilders is Indonesië tijdens de koloniale periode een onuitputtelijke inspiratiebron geweest, maar dit heeft slechts zo nu en dan geleid, zoals bij schilderijen van Isaac Israels en tekeningen van Rudolf Bonet, tot meer dan alleen maar mooiïgheid. Bonet heeft zich jaren ingezet om de kunst
op Bali te stimuleren. Dat is gelukt. Met name de schilder-kunst bloeit vandaag op het eiland en ademt dikwijls nog zijn invloed. Er is nog steeds een overvloed aan oorspronkelijk Indonesische kunst te beleven in de voormalige gordel van smaragd. Zoals de prachtig geschilderde panelen in het voormalig gerechtsgebouw van de Balinese koningen. Niet alleen beeldende kunst, ook de danskunst, vertelkunst, het edelsmeden en virtuoos houtsnijwerk zijn voorbeelden van hoe de vorsten kunst gebruikten om de harmonie met de rest van de schepping te bewaren. En zo doende hun macht wellicht te bestendigen. Menig kunstwerk heeft in de loop der eeuwen zijn weg gevonden naar een museum voor schone kunsten in Nederland. Elk zichzelf respecterende koloniale mogendheid verleende destijds vanzelfsprekende medewerking aan deze bijzondere vorm van export. Indonesië is van oudsher het land van vertelkunst. Vertellers, die hun verhalen soms met behulp van traditionele wayang kulit tot leven weten te brengen. Niet gehinderd door westerse logica. Vol spanning, hilariteit, magie, mysterie en ook woede. Pramoedya Ananta Toer is zo’n weergaloze verteller. Boeken en verhalen komen niet snel in een museum terecht.
Mooie boeken zijn vooral om stil in te lezen. Dans om ervan in vervoering te raken. De Borobudur is een ander voorbeeld van een bouwwerk, waar je stil van wordt. Dit uit steen gehouwen mysterie vertelt in talloze reliëfs verschillende levensverhalen van Boeddha,waarin deze net zo gemakkelijk optreedt als dier, als man, maar ook als vrouw, zelfs als een boom. Het imposante kunstwerk, ontstaan uit Boeddhistische sferen van begeerte, heeft zijn schoonheid honderden jaren verborgen gehouden onder de snel overwoekerende natuur, voordat de moderne mens er sprakeloos van kon geraken. Andere tempels op Midden Java, zoals de Lara Jongrang in de buurt van Yokjakarta zijn eveneens rijkelijk versierd. Met als telkens terugkerende fraaie motieven bijvoorbeeld de Hindoeïstische hemelbomen. In de uitgebreide collectie van het Rijksmuseum van oudheden te Leiden bevindt zich zo’n fraaie boom. Hoe de boom in hemelsnaam in Leiden terecht is gekomen, laat zich alleen raden. Denk maar niet, dat het stuk geschonken is door Beatrix. Alhoewel zij veel met schone kunsten op heeft. Hoeveel museumdirecties kunnen in navolging van Hugo Claus zeggen: “Mamma, kijk eens, zonder (vuile) handen”. Het is misschien een goed idee, de zich in Nederland bevindende oorspronkelijk Indonesische kunst terug te brengen naar Indonesische musea. Al was het maar om het toerisme daarmee weer een beetje op gang te helpen.
‘Lekker belangrijk’, maar het zou een gebaar zijn. Een werkelijk gebaar.


Het zijn en het niet

In de goeie ouwe tijd maakte niemand zich druk over het milieu. Waarvoor toch? Er was geen enkel reden om je bezig te houden met ‘Het milieubewust zijn en het niet’. Al het water dat van de rotsen naar beneden kletterde smaakte dubbelfris en als het begon te regenen, nam je als kind maar al te graag in je blote bassie een extra douchebeurt. De zee was nog nog azuurblauw en kristalhelder. Geluk nog heel gewoon. Willem Alexander zou zich maar verveeld hebben en gedoemd zijn een belangrijk deel van zijn tijd te besteden aan wilde tjelengjacht.
Er werd nog maar zuinig ontbost en ook de jacht op neushoorns of tijgers had nog geen onrustbarende vormen aangenomen. Dat wil zeggen, zulke zaken haalden de krant niet. Ik mocht van mijn ouders onder geen beding in de kali zwemmen. Niet vanwege de mogelijk erin aanwezige zware metalen. Neen, zij maakten zich meer zorgen over de gevaarlijke draaikolken, die al menig slachtoffer onder zelfs geoefende zwemmers hadden gemaakt, maar met name over de lichtere bestanddelen, die in de rivier dobberden. Jan en aliman deden immers hun behoeften toen nog vrolijk en onbekommerd in de kali. Hetgeen een onophoudelijke aanvoer van donkerbruine ongerechtigheden teweeg bracht. Ik hield mij al als klein jongetje bezig met de prangende vraag ‘Waarom iets op water blijft drijven en andere objecten weer niet’. Ook met vragen over ‘Het anders zijn en het niet’.
Van Archimedes had ik nog geen weet, noch van Jean Paul Sartre. Wel van ondeugend zijn en het niet, maar vooral van de zucht naar sensatie. Het gevaar van de draaikolk, naast het gezonde toch doen wat beslist verboden is, kende een grote aantrekkingskracht. Bungi jumpen was in mijn jeugd ‘not done’. Alhoewel er voldoende rubber in het land werd geproduceerd. Het was de kunst om zo lang mogelijk met de kolk mee te draaien en er dan net op tijd uit weg te zwemmen. Dat lukte keer op keer. Een belangrijk argument voor mijn moeder bij de keuze van
een huwelijkspartner was destijds, dat mijn vader uit ‘een goed milieu’ kwam. Behalve dat hij er goed uitzag, athletisch en gezond ( jammer, dat hij zo donker was uitgevallen, minpuntje ) bewoonde zijn familie een prachtig huis, en hielden zij er een auto met chauffeur op na. Een Javaanse jongen. Hij bestuurde een dikke zwartkleurige Dodge, die regelmatig compleet met een onwaarschijnlijk zwarte rookwolk de rust verstoorde in het zo ingeslapen Malang. Samen met de overige zeventien particuliere motorvoertuigen in de omtrek produceerde de bolide, die volgens mijn grootvader op het rechte stuk soms wel een snelheid van 72 km. per uur bereikte, nauwelijks luchtvervuiling noch geluidsoverlast. Dat wil zeggen, zulke kwestie haalden de krant niet. De kali was, net als in
de meeste andere Aziatische landen, het druk bevolkte en levendig sociale centrum van vermaak en algemeen nut. Voor meisjes, die zich in de kali giechelend en spetterend wasten, of voor hun moeders, die er dagelijks de was en de afwas deden, hadden wij nog weinig tot geen aandacht. Wij jongens verdiepten ons geen halve seconde in milieukwesties. ‘Het zijn en het niet’, dat was toen vooral nog de kwestie. Het Indisch zijn, of het niet. Indische jongens waren in staat gemiddeld 17 meter langer onder water te zwemmen, dan hun Hollandse schoolvriendjes. En dat was maar één van de flagrante verschillen.


Molukse dagen en Groninger worsten

Het zal in de vroege ochtend van de 14e maart in het jaar 1501 zijn geweest, dat de eerste Portugese schepelingen voet aan wal zetten op het eiland Buru. Zij worden onmiddellijk de walm van pala en kruidnagel gewaar, geraken ‘high’ en beginnen spontaan een fado te kwelen. De andere scheepjes van de vloot varen verder en de baai van Amboina binnen. Het duurt niet lang, of in het Groninger Winsum maakt de keurslager de eerste echte Groningse worst. Nemen de Nederlanden, waar het de typisch Molukse specerijen betreft, aanvankelijk genoegen met de rol van distributeur in Europa, al snel besluiten ze het spul zelf te gaan halen. Als je een en ander dan uiteindelijk door Jan Pieterszoon Coen laat coördineren, vallen er dooien. Niet een of twee, complete dorpen zijn platgebrand en uitgemoord. Adoe, keurslager, deze si Coen. Wij weten het inmiddels, dergelijke praktijken zijn de mens eigen. Voor het economisch gewin gaan wij over lijken. Echt trots kunnen we er niet op zijn. Coen heeft in ieder geval God aan zijn zijde in de strijd tegen ‘dat swarten en so bloodt volck’. Dat volk neemt in een later stadium opmerkelijk genoeg niet alleen zijn God aan, maar ook massaal dienst in hetzelfde leger, waardoor het ooit zo meedogenloos werd afgeslacht. Het Molukse soldatenvolk, van oorsprong vissers en landbouwers, weigert in Indonesia te ontwapenen en blijft na de souvereiniteits-overdracht het rood wit blauw
en oranje blindelings trouw. Trouw tot in de klamme barakken van woonoorden als Finsterwolde, Marum of Ooststellingwerf. Het ideaal van de RMS broeit daar vooralsnog in de strokisten. Gevoelig voor een dergelijke blinde trouw zoeken ‘de Heren 17 van Den Haag’ in de woelige jaren vlak na de oorlog koortsachtig naar machinaties om in de Oostelijke helft van Indië een vinger in de pap te kunnen behouden. Een koloniale mogendheid verliest zijn haren, maar zelden zijn streken. Nooit. Nederland stuurt vandaag troepen naar Irak.
Daar ligt immers een bel olie van hier tot Tokio, die bescherming verdient. 10% Mag sneuvelen, is de sinds Jan Pieterszoon gehanteerde norm. Onder de activiteiten, die de overheid van het op sterven na dode Indië ontplooit, behoort de vestiging van een ‘Zeevaartschool voor lagere zeelieden’ op Ambon. Die is immers in een handomdraai om te bouwen tot een marinebasis. Mijn vader is er enkele jaren leraar werktuigbouwkunde geweest. Ik heb in Ambon stad de lagere school bezocht en heb er uit pure verveling samen met mamma, zwanger van Josta en voor de oorlog Fröbeljuf, van kruidnagels een VOC-scheepje gebouwd. Daarna fort ‘Victoria’, het hele huis rook ernaar.”Bau cingkeh”, klaagt de babu. Broertje Olaf knikt met zijn ‘kepala botak’ zoals gewoonlijk instemmend. Werkelijk zo kaal als een muskaatnoot, si Olaf. Eigen schuld. Wreed heeft hij hier op Ambon mijn rust van ‘enig kind’ verstoort. Dan is er ook nog een zusje op komst en dat allemaal dankzij mijn vader, die zonodig gezond en veilig moest terugkeren uit Japans gevangenschap. Hij was getuige van de bommen boven Hiroshima en Nagasaki. “Als ze die niet hadden gebruikt, zat ik hier niet”. In Holland. Verstand van politieke verhoudingen heb je als kind natuurlijk niet. Gelukkig maar, anders zou ik nooit zo argeloos hebben durven zwemmen in het kristalheldere water van de baai van Amboina. Waar wegroestende wrakken van Japanse landingsvaartuigen nog herinneren aan de oorlog waarin ik het schelle levenslicht mocht aanschouwen, terwijl vanuit de lucht Indonesische parachutisten proberen te landen. Het enige dat mij opvalt, is dat aan de poort van Zeevaartschool OSM afwisselend
de Nederlandse vlag, de Indonesische en die van de RMS wappert. En dat in de stad en passant de Chinese wijk wordt platgebrand. Rondom klinkt regelmatig vijandelijk en soms vriendelijker vuur. Voor een kind is dat spannend genoeg. Bijna net zo spannend als de oude lelijke heks met een paardenpoot, die volgens zeggen in
het grote donkere bos achter de OSM rond hekst.Voor mijn vader is er geen lol meer aan. Tempo Dulu komt echt nooit meer terug, we vertrekken voorgoed naar Holland. Van de weeromstuit stemt hij hier op de VVD en niet op
de Pv/dA, die Indië immers gewoon aan die Javanen heeft verkwanseld. Mij maakt hij uit voor communist. Hij en ik hebben vanaf zijn terugkeer uit Japan jaren achtereen een gespannen verhouding gekend. Het is hem een doorn in het oog, dat ik gretig Indonesische postzegels verzamel en zelfs die van de Republik Maluku Selatan. Het zal in de vroege ochtend van de 14e maart in het jaar 2001 zijn geweest, dat ik wakker word en besef, dat ik in een land woon, waar treinkapingen gelukkig tot het verleden behoren en waar alleen de Molukse dag op de Pasar Malam ons er nog enigermate aan herinnert, dat Jan Pieterszoon in de Molukken ooit iets groots voor ons heeft verricht. Hij verdient een standbeeld. Pleinen en tunnels, die naar hem worden vernoemd. Die man mogen we beslist niet vergeten. “Da moe lukken”, mompelt de keurslager van Winsum, terwijl hij een handje extra kruidnagelpoeder door zijn worstenvulsel mengt. Ik heb daar op Ambon in zee zwemmen geleerd van een hondje uit de nabije Kampong Waynitu. “Da moe lukken”, blafte hij me, zolang dat nodig was, toe. Dat waren nog eens tijden.
Verdriet gaat bijna altijd over iets wat nooit meer terugkomt.


Tropische gewassen

Zelf geen verwoed tuinman en eerder geneigd om, net als in mijn werk, ontwikkelingen eerder belangstellend gade te slaan zonder al te snel in te grijpen, zijn de stukjes grond, die ik geacht word tot mijn tuin te rekenen, eufemistisch te omschrijven als ‘wilde tuinen’. De brandnetel wordt over het algemeen beschouwd als een gewas, waar niemand ook maar enige behoefte aan heeft. Ze groeit naar men zegt bij voorkeur op onvruchtbare plekken in de tuin. Onkruid. Zevenblad is een ander geducht gewas. Vrijwel niet uit te roeien, mocht je ooit het ongeluk meemaken, dat het kruid vaste voet in je tuin krijgt. Zelf ervan overtuigd, dat er geen overbodige gewassen bestaan, doet het me werkelijk deugd, dat mij somtijds een kop dampende brandnetelsoep wordt aangeboden. Een aanbod, dat ik Indisch beleefd afsla ondanks de verzekering, dat de brandnetelsoep vele bruikbare vitamines bevat. Een plakje brandnetelkaas daarentegen sla ik zelden af. Al wordt mij die in de postmoderne tijden van dwergbroccoli en lenteui nog maar nauwelijks opgedrongen. Ook zevenblad blijkt bij nadere bestudering op internet heel goed eetbaar. Klop ‘zevenblad’ in op Google en binnen de kortste trekt een keur aan recepten met het kruid als ingrediënt aan je voorbij. Bijvoorbeeld te gebruiken als een soort spinazie. Wel heb ik ooit. Zevenblad, dat ik toch tot voorkort slechts kende als een Kema-gekeurd onkruid. Opnieuw voel ik mij gesterkt
in de in jongere jaren postgevatte opvatting, dat er geen overbodige gewassen bestaan. Deze opvatting heb ik hoogstwaarschijnlijk in mijn geboorteland ontwikkeld, waar de aanwezige flora onder invloed van de immer aanwezige koperen ploert onwaarschijnlijk snel voortwoekert en zich daar zelfs dagelijks nog onstuitbaar lijkt uit te breiden in soorten en getal, zodat alle gewassen er desondanks net zo toe doen en erbij horen, als de al even grandioze tempels en paleizen op Java. En de bommen en granaten van Ollie B. Bommel. Elk gewas, mits op
de juiste wijze geprepareerd, lijkt wel te kunnen dienen als middel tegen de meest zeldzame kwalen, die een mens zich maar inbeelden kan. Ook daarin was Indië en is nu het moderne Indonesia een overdadig rijk land. Tegenwoordig met fabrieksmatig geprepareerde jamu jamu. Wereldwijd verspreid. In de verre van wilde tuin van mijn ouders, die immers door de kebon werd onderhouden, kwam ik ook de meest sprookjesachtige bloemen tegen. Waaronder de canna met haar felkleurige bloeiwijze in onbeschrijflijk intense tinten rood, oranje en geel. Het glazuur sprong bijna van je tanden bij het zien en genieten van die kleurenpracht. Een papje gemaakt van fijngestampte zaden van de canna , zou een probaat middel tegen hoofpijnen zijn, bij louter uitwendig gebruik. Men dient het papje namelijk op het voorhoofd aan te brengen. Dat zoiets vooral liggend op je bed met succes kan worden toegepast, doet mijn gezonde achterdocht eraan twijfelen of het papje verantwoordelijk is voor een succesvolle pijnbestrijding of het ermee gepaard gaande bed houden achter geblindeerde vensters. Rust blijkt meestal immers nog het beste medicijn te zijn. De Canna Indica zou verwant zijn aan zowel de gemberachtigen
als aan de banaanachtigen. Wel heb ik ooit. Dat laatste zou men bijvoorbeeld kunnen afleiden uit de bladeren van de canna, die sterk lijken op het pisangblad. Laos, oftewel de ‘knikkende galanga’, die zoals u niet zal verbazen eveneens behoort tot de gemberachtigen, werd door de firma Conimex in de jaren vijftig hier in Holland geïntroduceerd en komt men vandaag de dag in elke zich zelf respecterende huis- tuin- en keuken- keuken tegen. En wie kent niet de smakelijke pisang Ambon, die vingerachtige banaan waar een smakelijk likeurtje van is te bekokstoven. In sommige keukens komt men nog een stopfles met vanillestokjes tegen. Echte vanillevla bereid met echte vanillestokjes en vooral met vanillezaadjes eraan toegevoegd is overheerlijk. Lichtjes aangebracht
op het voorhoofd wellicht werkzaam tegen migraine, maar dat kan ik mis hebben. De vanille is een zogenaamde aardorchidee met prachtige groene orchideeën. Mijn moeder hield in Indië niet de tuin bij, maar kweekte wel met moederlijk geduld haar wilde orchideeën, die aan korte stammetjes in rij op de voorgalerij prijkten. Papa bracht ze voor haar mee op zijn bootreizen van Buru tot Merauke. Die orchideeën waren haar trots en Mama maakte overigens de heerlijkste vanillevla van gans de Gordel van Smaragd. De liefde voor tropische gewassen gaat net als vele andere liefdes veelal door de maag, als je het mij vraagt. Of dat op den duur ook gaat gelden voor brandnetels en zevenblad, zal de toekomst uitwijzen. Mijn wilde tuinen in Holland staan er vooralsnog vol mee.


Tweederangs Inburgeren

Jan Pieterszoon Coen heeft God aan z’n zijde in zijn persoonlijke kruistocht tegen ‘dat swarten en so bloodt volck’. Hij meent in zijn onnozelheid het door God uitverkoren instrument te zijn, om ‘die trouloze Mooren’ af te straffen. Een Mohamed meende God aan zijn zijde te hebben in zijn strijd tegen die onbesneden blanke thaguthonden, die naar zijn idee opnieuw een kruistocht zijn begonnen tegen de oprukkende Islam. Mohamed is alweer zo’n Cupmarokkaan, zo’n ordinaire geitenbeuker geboren in dit lage land. Waar je godzijdank vrijelijk voor je mening mag uitkomen, Holland. Een duizelig makend paradijs voor Indo’s, immers het is een aanlokkelijke vrijheid, die van meningsuiting, waar zij doorgaans geen gebruik van durven maken. Zelf ben ik zo’n beleefde Indische jongen gebleven, die in zijn frustratie jegens de hooghartige belanda nooit verder is gegaan, dan hem binnensmonds voor ellendige ‘kaaskop’ uit te schelden. Niet elke belanda is hooghartig, ik weet.. Maar wel de jongens en meisjes
van het R.K. Lyceum in Hilversum, die laatdunkend op mij neerkijken, als ik in 1953 beschaamd rondloop in
een versleten drollenvanger. In schril contrast met hun, die gehuld in een pantalon van C. of A. Brenninkmeyer, ontspannen de hockeywedstrijd van afgelopen zondag doornemen. De drollenvanger werd mij uitgereikt door DMZ, die aan de repatrianten ruimhartig een baal vodden ronddeelde uit de overgebleven kleding, oorspronkelijk ingezameld ten behoeve van de Watersnoodrampslachtoffers. Adoe, mooi scrabblewoord, deze. Een veelbelovende Inda pinda Poepchinees, de cupmarokkaan avant la lettre, in een donkerblauwe ‘plusfort’, die als hij een beetje zijn best doet het nog wel tot procuratiehouder van de Friesch-Groningsche Hypotheekbank kan brengen. Niemand wil geloven, dat hij in staat zou zijn geweest iemand koelbloedig om te leggen als reactie op
een neerbuigende bejegening door een volk dat nu eenmaal gewend is voor zijn mening uit te komen. Bijvoorbeeld de mening, dat die Indo’s, die onbeschaamde roetmoppen, de nog schaarse nieuwbouwwoningen wegkaapten voor de neus van onze oorlogshelden zojuist teruggekeerd uit de oorlog in Korea. Ik heb het geluk gehad, dat niet
de een of andere Indische moefti handig insprong op de diepe verslagenheid waarin ik als verdoold jongmens terechtgekomen was als gevolg van de maar durende neerbuigende bejegening, waaraan ik mij 24 uur per dag blootgesteld voelde. Men leerde mijn moeder ‘piepers te jassen’ en mijn vader kolen te scheppen om de kachel mee aan te maken. Inburgeren heette toen nog assimileren. Ik had het geluk, dat mijn ouders, gestaald tijdens ‘tempo doeloe’ ons voorleefden, dat je een belanda maar het best in zijn onnozelheid kon accepteren. Niet elke cupmarokkaan of geitenbeuker kent die weelde. En waarachtig, als het je lukt de ander te accepteren in hoe hij nu nog is en nog veel te lang daarna, als dat je lukt,wordt je ten langen leste ook geaccepteerd. En maakt men ten langen leste een simpel gebaar van goede wil. Het Gebaar. Gelukkig is niet elke belanda zo hooghartig of zo openhartig als die volgevreten tjiftjaf zonder kop. Niet elke veelbelovende Marokkaanse jongere is gewelddadig. Indische jongens zijn vooral beleefd. De meisjes trouwens ook. Indisch beleefd zonder na al die jaren merkbaar gemakkelijker voor hun mening uit te kunnen komen. Jan Pieterszoon was vrijmoedig van mening ‘dat hij de Bandaneesen sonder enig aensien doot moet slaen dewyl het maer swarten ende bloodt volck is’. Toen waren er al mensen, die daarover van mening waren, “dattet met gematichder middelen hadde connen beslist werden, ende dat men de geslagen wonden met alle sachticheyt moet soeken te verbinden”. De overheid werkt koortsachtig aan een veiliger Nederland en maakt over 50 jaar het gebaar. .


Een verbloeding in de hersenen

Mijn moeder is te jong gestorven. Ik ben nu alweer 8 jaar ouder dan de leeftijd die zij destijds bereikte. Het verhaal wil, dat zij in dit koude kikkerlandje niet goed kon aarden. In werkelijkheid werd zij geveld door een CVA,
a cerebral vascular accident, een hersenbloeding. Van wat de onvolprezen Tjalie Robinson over het oorspronkelijke Indië noteerde, kan ik maar niet genoeg lezen en steeds maar weer herlezen. De taal die hij gebruikt is treffend, maar vooral mooi. Volgens hem zou mijn moeder het slachtoffer zijn geweest van een ‘verbloeding in de hersenen’. De taal, die Tjalie in zijn boeken hanteert, is ook de taal die ik mijn ouders hoorde gebruiken. Dat was weliswaar door de bank genomen correct Nederlands, maar een ander soort Nederlands, dan ik hier in Holland leerde zeggen en schrijven. Een ander soort Nederlands met koppig behoud van allang in onbruik geraakte woorden. Indisch Nederlands. Met zovele woorden, die in de Grote van Dale niet of niet meer voorkomen. Zeker niet die woorden, die in een soort klanknabootsing iets proberen te beschrijven. Zo klinkt een held op sloffen vaak als ‘sles, sles, sles’. Een Indo op skies als ’sret, srot, sret, srot’. De verkoop van overtollig huisraad, die vandaag de dag via marktplaats dot com plaatsvindt, heet bij ons een vendusie of een venduutje plegen. De fundamenten van
een huis noemen wij ‘basementen’. Als wij het al over fundamentele kwesties hebben met elkaar, want lekker eten en leedvermaak blijven aan de top staan van favoriete gespreksonderwerpen. Een beschadigd voorwerp werd niet gelakt, maar ‘verlakt’. Mijn moeder kon ik niet verlakken, hield zij me voor en waarachtig soms meende ik, dat zij helderziende moest zijn. Afgaand op de streken, die ik uithaalde, waar zij telkens weer allang van op de hoogte bleek te zijn. Zelfs als ik nog uithalen moest. Verlakkerij, daar was Mama niet van gediend. Dan mepte zij me, geheel in de stijl van de nog gangbare autoritaire opvoedingsstijl, met een houten lepel totdat die op mijn arm brak. En wee mijn gebeente, als ik het waagde te ‘retireren’. Zij was er ook niet van gediend, dat mijn vrouw blootsvoets over straat ging. In de zestiger jaren was dat heel gewoon onder het meest vooruitstrevende deel van Holland, waar mijn vrouw zich toen nog toe rekende. Te gek om los te lopen, was mijn moeder van mening.
Die jaren van de antiautoritaire opvoedingsstijlen. “Moet je zien!”, riep Mama met afgrijzen uit.
Een zenuwoverspanning nabij, “ze lijkt wel een Javaanse”. ‘Blootvoetig’, zegt Tjalie en hij is het met me eens, dat mijn moeder er ‘de bolen’ ( afgeleid van voetbolen en dat weer van het Franse ‘football’. Of misschien gewoon van het maleise ‘main bola’. ) van snapte. Van de moderne tijden in Holland. Als ik dan met Mama in discussie wilde en vroeg naar het waarom van haar resolute afwijzing van onze pas verworven losse levensstijl, antwoordde zij steevast en zonder mankeren met “Laat maar eerst waarom” . En Ingrid? Zij snapt nul en zwijgt maar stil. Misschien overdrijf ik enigszins, als ik een onderscheid maak tussen Indisch Nederlands en gewoon Hollands, waar verder geen woord Frans bij is. Maar Mama zou vandaag 89 zijn geworden en ik moest opeens aan haar denken.
Die eerste generatie is vrijwel niet meer. Dat is jammer, want daarmee is ook een vertrouwd geluid verdwenen.
Mijn moeder zou zeggen, dat zij hier niet goed kon aarden en destijds onverwacht is overleden aan een verbloeding van de hersenen. Gelukkig zijn hier en daar nog boeken te krijgen van si Tjalie.


Korte metten

In het oude Indië was het bij wet geregeld, dat een Indische werknemer per maand 500 guldens minder verdient, dan iemand met gelijke papieren in Holland behaald. Althans bij de Gouvernements Marine, waar mijn vader
een betrekking had als 2e werktuigkundige. Elk weldenkend volbloed mens begreep indertijd, dat een diploma behaald op de ambachtschool in Loppersum meer waard is, dan hetzelfde diploma behaald in Soekaboemi.
De minister van justitie wil het toejuichen van en het aanzetten tot terroristisch gedrag bij wet verbieden.
Elk weldenkend volbloed medeburger zal het met de minister eens zijn. De toevoeging ’geitenneuker’ overigens, als we het hebben over een moslim, behoort tot onze al tijdens de 80-jarige oorlog zwaarbevochten verworvenheid van vrije meningsuiting. De politionele acties waren destijds bedoeld om orde en rust in Indië te herstellen en gingen de oorlogen in Vietnam en in Irak daarin voor. De rust en orde ten tijde van Tempo Doeloe hadden ontegenzeggelijk zo hun voordelen. Rust en (rang-)orde schiepen daar duidelijkheid. Mijn vader vond het heel gewoon, dat hij maandelijks enkele honderden guldens minder ontving, dan zijn blanke collega. Zo hoorde ik hem tijdens een verjaardagsfeestje aan onze Friese buurman uitleggen, dat ook hij Nederlander is. ‘Weliswaar een van een mindere soort’ , voegde hij eraan toe, terwijl hij buurman een volgend biertje, een risolles en een pasteitje offreerde. Een Indisch pasteitje. “Die maakt mijn vrouw zelf”. Mijn vader, halfbloed hij, begreep, dat zijn blanke collega maandelijks 1778 guldens verdiende en hij 1271. Dat was bovendien bij wet geregeld. Wat wil je? Bij wie moet je je beklag daarover doen? Een inlander verdiende vergelijkenderwijs 122 guldens. Mijn vader begreep waarom, de inlander niet en deze kwam uiteindelijk in opstand. Die inlander is nu Indonesiër en woont in zijn onafhankelijke land, samen met nog 80 miljoen andere geitenneukers. Ik zal het wel uit mijn hoofd laten
het voornemen van onze minister ter discussie te stellen. Ik kijk wel uit. Want ik begrijp bovendien hoe mijn oude heer al dat soort kolonialistische kwesties begreep, zoals hij ook het werpen van atoombommen op Hirosjima en Nagasaki toejuichte. Hij zat op dat moment immers knijp daar in Japan. Een Indo kiest per definitie liever gezoute eieren voor zijn geld en wacht beleefd met zijn beklag tot een ander eindelijk ‘het gebaar’ maakt. Daar mogen allochtonen een voorbeeld aan nemen. Hete hangijzers bij wet regelen schept duidelijkheid, over wat wel en niet gewenst is in een beschaafde samenleving. Door mensen gemaakte wetten benadrukken vaak angst en paniek en tegelijkertijd, dat het om zaken gaat, waar men zich wel of niet aan kan houden. Ook hij, die met bommen en granaten onschuldige burgers treft, verkeert volgens mij in een onvoorstelbare staat van angst en paniek. Ik kan me vergissen. Saaier zijn natuurwetten, daar valt niet aan te ontkomen De tsunami komtonherroepelijk, als aan alle voorwaarden is voldaan. Werp honderd keer een steen de lucht in en hij komt 98 keer weer naar benee. Onder de dwingende invloed van de wet op de zwaartekracht. Terrorisme en andere vormen van gewapende opstand steken de kop op als aan alle voorwaarden is voldaan. Voor minimaal de helft leveren politiek, overheden en andere wettenmakers de voorwaarden, heb ik wel eens het idee. Het is maar een idee en geen wet van Meden en Iraniërs. Toen mijn vader merkte, dat zijn Friese medelander bij het opscheppen van de Indische maaltijd tamelijk veel sambalan peteh op zijn bordje had genomen, zag mijn vader zich genoodzaakt buurman te waarschuwen voor de gevolgen van het consumeren van de petehboon. Die boon maakt gegarandeerd korte metten met je, voor tenminste de komende 3 weken. Neem er flink veel van en aan alle voorwaarden is voldaan.


Meisjes met rode haren

Het ijs aan de poolkappen smelt onrustbarend snel. Binnen enkele tientallen jaren lopen er geen roodharigen meer op aarde rond. Deze en nog veel meer wetenswaardigheden worden door knappe koppen voor ons berekend. Het gen dat de roodharigheid bevordert zou volgens genetici in steeds belangrijker mate in werkzaamheid worden tegengewerkt door aan invloed winnende andere genen. De Oostenrijkse Augustijner monnik, Gregor Johann Mendel (1882-1884) die de ‘Wet van Mendel’ ontdekte ( hee, daar hebben we waratje de wet van Mendel), betreffende het overerven van eigenschappen door opeenvolgende generaties, wist van geen genen af. In navolging van de monnik, die zich behalve met bidden blijkbaar ook met Gods schepping kon bezighouden, mochten wij op de middelbare school experimenteren met langvleugelige en kortvleugelige bananenvliegjes.
Om zo te leren, dat langvleugeligheid dominant is over kortvleugeligheid. Dat wist de leraar biologie natuurlijk al zelf, maar hij wilde graag, dat de ‘spes patriae’er eveneens kennis van nam. Zo leerde hij ons verder, dat bruin dominant is over blank. Voor wat betreft de kleurzetting, benadrukte hij, maar dat hoorde ik toevallig niet.
Zelf heb ik de experimenten later vlijtig voortgezet en heb twee kinderen weten te verwekken bij een Indische en twee bij een belanda vrouw. Met beider instemming overigens in opeenvolgende huwelijken. Wat schetste mijn verbazing, toen het bij beide moeders een blond en een getint kind betrof. Zelf weet ik dit aan het toverbalachtig karakter van mijn voortplantingsorganen. Immers als een Indisch zaadje besluit te gaan met een Indisch eitje,
of met een Hollands eitje, dan wordt het geheid een getint kindje. Maar ik bleek tevens in het bezit van blanke zaadjes, evenals mijn Indische echtgenote beschikte over blanke eitjes. Vandaar waarschijnlijk. Hoeven we niet aan de melkboer te denken.. Het ijs aan de poolkappen smelt onrustbarend snel, maar dat zou niets te maken hebben met ons slordige omgaan met het milieu, beweert alweer een ander knappe kop. Hij hanteert daarbij
een bewijs uit het ongerijmde, door erop te wijzen, dat in de lage landen ooit een ijstijd regeerde. Binnen enkele tientallen jaren zal de roodharige van het toneel verdwenen zijn. Maar hoelang zal het nog duren tot de laatste Indo voorgoed tussen de coulissen verdwenen is? De tekst, die mijn zoon op T-shirts drukt, ’Dat ene zit nu eenmaal Indo genen’, is hopelijk onjuist. Als de moderne genetici gelijk hebben, zal ook het Indogen op zeker moment overvleugeld worden door langvleugelige en dominante andere genen. En dat zou jammer zijn, al kan ik niet goed uitleggen, waarom dat jammer zou zijn. ”Jammer immers”, zou mijn oma naar voren brengen, ”van al die gezelligheid, sateh kambing, krontjong betawi en Indorock?” En ik voel met haar mee. De tachtigjarige oorlog is al meer dan 500 jaar geschiedenis. In die tijd zal er naast oorlog voeren, toch ook flink gemendeld zijn door de Spanjolen. Niemand maakt zich tegenwoordig nog druk over het significant meer voorkomen van donkerharigheid in onze zuidelijker provincies in vergelijking met de andere. Vergeten we even de slag bij Heiligerlee. Wat Indo’s betreft wordt er iets korter gemendeld, laten we zeggen vanaf de periode van de VOC. De heren kwamen zogenaamd voor peper en nootmuskaat, maar ondertussen. Zij wilden ook wel eens mendelen. Niet wetende,
dat donker dominant is over blank. ‘Helaas, katjangkaas’. Los van dit al kan ik mij toch niet aan de indruk onttrekken, dat het publiek op de diverse pasar malam met de jaren bleker wordt. Dat stemt mij treurig,
Mijn eerste vriendinnetje had prachtig lang rood haar. Verdriet gaat bijna altijd over wat niet meer terugkomt.
Zij was werkelijk een schat, zij. Ook al was zij brildragend. Tegenwoordig laat je die ogen eventjes laseren, klaar.
De wetenschap is knap. Knap verwarrend soms.


De Indische avonden

Geen boek van G.K. van het Reve noch van Adriaan van Dis, maar ze waren legendarisch die ‘Indische Avonden’.
En schijnbaar stukken minder somber. Ze geven daar van alles, Indorock, lemper waar je je bek aan brandt, tjendol, risolles en tussendoor afwisselend jiven en slijpen natuurlijk. Gezellig. Oude herinneringen ophalen uit Tempo Doeloe Reve won precies 60 jaar gelee met zijn boek ‘De Avonden’de Reina Prinsen Geerligsprijs. De jury meende, dat Simon zich durfde uitspreken. Niet een willekeurige zielsgeschiedenis, maar ‘De Avonden’ beeldt uit, wat die naoorlogse) tijd, die alle illusies vermoordde, de jeugd heeft aangedaan. Nah, itu dia. Toen ik een jaar of 18 was, had ik nog geen enkele belangstelling voor mijn roots. Ik las ‘De Avonden’, trok een zwarte coltrui over mijn kop en luisterde naar Art Blakey and the Jazz Messengers. Ik had van thuis immers de strikte opdracht gekregen me aan te passen. Ik luisterde tussen de bedrijven door toch ook graag naar Tjo de Fretes en Rudi Wairata and the Amboina Serenaders. Ik had tenslotte de laatste jaren van mijn vroegste jeugd op Ambon gewoond. Maar daar bleef het bij. Niks zoeken naar mijn roots. Al noemde de gymlerares op de middelbare school mij ( liefkozend? ) ‘Rootmob’. Er rinkelde geen mobieltje. Mijn oudste, Micha, begon op een gegeven moment allerlei vragen te stellen over mijn komaf. Aanleiding voor mijn eerste boek ‘Tempo Doelloos’. Het eerste van

een reeks. Er ging toen een kraan open, die zich niet meer liet sluiten. Roy werd wakker gemaakt door zijn zoon, jah illah, hoe toch dese? Niet eerder dan precies een jaar geleden, ruim 50 jaar na mijn aankomst in de haven van Rotterdam, Negri Belanda, kwam ik ertoe eindelijk naar mijn geboorteland Indonesië terug te gaan. Vliegangst, weet je? Voor een luttele 10 dagen maar. Niettemin een heel aangrijpend weerzien. Zien. horen, ruiken, proeven en vooral voelen. Weer thuis voelen. “Hier kom ik vandaan”, zinderde het voortdurend door mijn lijf.Het aantal Indische avonden is in de loop van de jaren sterk afgenomen. De oudjes zijn al stokoud of niet meer. De overigen bezoeken echter nog in groten getale de kumpulans zoals Pelita die overal in den lande organiseert. Veel jongeren zie je er niet. Toch raakt elk Indokind op zeker moment benieuwd naar “Waar kom ik eigenlijk vandaan?”
Zij hebben tegenwoordig hun eigen feestje. Met een heuse DJ. Maar net als destijds in Indië, tot in de vroege uurtjes. Het ‘Pindakaasfestival, dat begin 2008 zal plaatsvinden, is een mooie poging om meer diepgang te geven aan de vooral nog oraal gebleven speurtocht (lekker makanmakan) van de 3e generatie Indo’s. in de leeftijd
van pakkem beet 13 tot 44 jaar, naar hun roots. Nasi Idjo in het Oosten van dit land is ook zo’n voorbeeld van
een initiatief voor de jongste generatie, dat ik een heel warm hart toedraag. In 2003 opgericht hebben zij in hun doelstellingen staan het levend houden van de Indische identiteit door de jongste generatie met de oudere generaties als aanspreekpunt.. Binnenkort ga ik weer naar Indonesia. Met mijn oudste dochter, die hier geboren is. Tot voor kort hield zij zich nauwelijks bezig met haar Indische komaf. Zij kan wel lekker koken, vooral ook Indisch koken, maar veel verder ging haar belangstelling tot nu toe niet.Ik weet bijna zeker, dat Tamara daar ook veel herkenning tegen het lijf zal lopen. Als je wilt weten waar je vandaan komt, ga er dan heen. Gampang.


Djagoeng

Vakantie is aan mij niet besteed. Sinds wij volgens mijn vader in Holland vakantie gingen vieren, om nooit meer terug te gaan. Die leugen ben ik niet te boven gekomen. Het noodlot wil dat ik altijd een baan heb gehad, die mij in, om en nabij augustus 6 weken vakantie opdringt en daarnaast om de 8 weken nog eens een mini vakantie van een week. Tot overmaat van ramp mag ik over binnenkort voorgoed met vakantie. Hopeloos werkelijk. Had ik maar een eerlijk vak geleerd. Scheepstimmerman, of nog beter Bereider van Italiaans ijs. Om niet toch in de verleiding te komen om op zwarte zaterdag met hele volksstammen tegelijk in de file naar het Zuiden te gaan staan, heb ik mij aan het wad in Noord Groningen een arbeidershuisje toegeëigend. In de vakantie rag ik tussen mijn reguliere woonplek en dat vakantiehuisje heen en weer. Een paar dagen hier en een paar dagen daar. Telkens kan ik dan zeggen: Kom, ik ga maar weer eens naar huis”. Zo’n Italiaanse ijsbereider schijnt overigens maar 6 maanden per jaar te bereiden. Ik moet er niet aan denken. ‘Buytensorgh’ heet het lustoord toepasselijk en onderweg naar huis kom ik hier en daar een veldje djagoeng tegen. De jonge mais is heerlijk voor in de sajoer lodeh, de prachtige reuzenkolven geroosterd boven een arang vuurtje, membakar, of eenvoudig in water gekookt met een snufje zout weet je, merebus, wadoe een ware lekkernij. En ken je de frikadel djagoeng? Een ideetje voor de vegetariër, maar beslist niet alleen voor hem. Is het waar, dat een Indo, zelfs als hij een column aan het schrijven is, automatisch en ongemerkt op eten uitkomt? September 1950 met verlof naar Holland gekomen en nooit meer een keer terug geweest.Een schande volgens sommigen, onbegrijpelijk volgens weer anderen. De mensen kennen mij niet van binnen. Om maar te zwijgen over mijn angst tot vliegen. Bovendien is vakantie aan mij niet besteed. Intussen zeurt een ieder mij aan mijn kop over dat zonodige ‘teruggaan naar wat al is geweest’. Zelf speel ik trouwens regelmatig met de gedachte. Spelen alleen maar. Een Hollandse vriendin nodigt mij regelmatig uit samen naar Indonesia te gaan. Ik zeg maar ja, want ik kan immers geen neen zeggen. Mijn oudste dochter, die ervan hoort, protesteert: “Waarom ga je niet met mij?” Ik heb vier kinderen, ieder op hun beurt en dan in koor: “Waarom ga je niet met mij?” Naar ik vernomen heb, bevinden zich benoorden Jakarta een aantal prachtige eilandjes. Prachtige stranden, kristalheldere zee, vriendelijke godvrezende mensen, veel armoede en geen toerisme. Je kan er met
een motorbootje vanuit Tandyong Priok heen varen. Misschien is het een idee om dat huisje in Wierhuizen om te ruilen voor een plekje daar. Ik zou bijvoorbeeld een reisverslag kunnen maken over die ’Duizend eilanden’ voor ‘Archipel’. Zo sta ik vaak te dromen in de keuken. Want weer even thuis sta ik het beslag te maken voor maiskoekjes volgens Nora.Knoflook, uitjes, wat soepgroenten alles fijnhakken, 2 eetlepels bloem, 2 eieren, wat zout en peper en ketoembar, eventueel garnalen daarbij, goed adoeken en bakken maar. In een beter soort olie. En o ja, de djagoeng niet vergeten ja. Niet met kolf en al natuurlijk, tjoba. Alleen de korrels van de versgeplukte mais. Zalig. Die Hollandse vriendin, zij is wel lief hoor.


Indo’s van nu

Onlangs liet ik een oude jaargang van het tijdschrift “Moesson’ al bladerend door mijn handen gaan. Jaargang 1980. Verre van glossy. Eerder een geïllustreerd clubblad. Misschien had die Moesson, begonnen als ‘Tong Tong’ destijds niet meer pretentie, dan een blad te zijn voor de club van Indo’s in Holland. Een blaadje, want de eerste nummers ( Kan dat? Er is toch altijd maar één de eerste? ) waren 8 pagina’s dik. Tegenwoordig moet je als periodiek qua uiterlijk heftig concurreren met bladen als ‘Ouders van nu’. ’Indo’s van gisteren’ zijn er bijna niet meer. Daar zijn er trouwens door de eeuwen heen ook maar weinig van geweest. Aan de buitenzijde volledig geïntegreerd, van binnen, adoe! Indo’s zijn niet van gisteren, zij zijn over het algemeen behoorlijk bij de tijd en met een fijne neus voor trendy leefstijlen. Aan de buitenkant. Aan de binnenkant, adoe!. Buitengewoon glossy over het algemeen, die Indo’s van vandaag. Van binnen echter leeft nog steeds dezelfde heimwee. Zoals je die in velerlei vorm tegenkomt in een oude Moesson. Ook bij de jongste generaties, al heeft bij hun heimwee dikwijls
een amoebeachtige nog wat wazige, weinig uitgekristalliseerde vorm. Jeroen Klaassen is daarin een prachtige uitzondering. Zijn heimwee zingt hij niet alleen uit, hij wijst tegelijkertijd duidelijk in een richting van ‘hoe terug naar je roots’ als ik hem terecht reclame zie maken voor GarudaTv. Dat doet ook de groep Masada. Mooi. Hulde. Het tijdschrift ‘Archipel’, dat helaas dreigt ten onder te gaan in de race naar het meest glossy magazine, is eigenlijk de papieren uitgave van GarudaTv. Een papieren tijger misschien, maar een blad, waarin je net als
op GarudaTv een eigentijdse indruk krijgt van hoe en waarheen jouw roots zich sinds de vijftiger jaren zich in Indonesia verder hebben ontwikkeld. Werd ik laatst gebeld door een redacteur van het computertijdschrift
’PC Plus’. Men wilde een interview met mij naar aanleiding van mijn website ‘Indo Wordart of The Lowlands’.
Nog altijd bereid om wereldberoemd te worden stemde ik gretig toe en gaf een dijk van interview weg. Waarin ik nog eens onderstreep wat ik eigenlijk met mijn website wil. De Plus van PC+ staat na enig onderzoek via Googel voor 50+. Dat feit drukt mij weer eens met mijn neus op het hart (hoe toch, deze?), dat ik niet meer tot de jongste generaties gerekend mag worden. Heb spontaan en dapper ‘n abonnement genomen op dat blad. Wat ik wil met mijn Tempo Doelloos website. Graag wil ik de jongere generaties wat handvatten uit het verleden geven voor hun Indobeleving van vandaag. En het liefst met wat humor. Die Moessons van vroeger werden na de opgehouden bemoeienissen van Tjalie toch tamelijk saai, vind ik. Zonder sombong te willen zijn, maar helaas ik kan niet anders, wil ik af en toe toch errig leuk uit de hoek komen op mijn website. Ijah, altijd al de leukste geweest thuis. Vind ik. In 1959 telde het tijdschrift ‘Tong Tong”7000 abonnees. Het tijdschrift was de barometer van het Indische denken in die tijd. Mijn website wil anno 2006 de barometer zijn van het denken van de Indo van nu.
Of zoals mijn onverbeterlijke zoon Pablo het zegt: “Ik denk, dus ik ben Indowar”.


Masuk sadja

Ik ben een ijskouwe. Zal niet bij terugkomst in mijn geboorteland mezelf verliezen in emotioneel ongerief als gevolg van lang vergeten geuren, ofzo. Onzin. Ja maar, dat gebeurt onherroepelijk, wordt mij van alle kanten verzekerd. Niet bij mij, njo. Bestaat niet. Sinds 1950 op vakantie in Holland en opgegroeid in een gezin, waar mij dagelijks op het hart werd gedrukt, dat ik ons Indië zo snel mogelijk moet vergeten. “Dat land is niet meer van ons, het is ons afgepakt. Ze hebben het verkwanseld aan die ‘inlanders’, die er ongetwijfeld een zooitje van zullen maken”. Uit die woorden klonk ontgoocheling en bitterheid. Wist ik veel. Ik ben een ijskouwe.Mijn moeder is jong gestorven aan een hersenbloeding, niet aan verdriet. Mijn vader hield de tanden op elkaar. Tutup mulut. Een man van weinig woorden. Al vroeg behept met puberaal oppositioneel gedrag, spaarde ik in de jaren ‘50 in het geniep wel die mooie postzegels van Indonesia, kende alle ministers van de elkaar snel opvolgende Indonesische kabinetten uit mijn hoofd. Sjarir, Bung Karno, Hatta, Subandrio, Ali Sastro Amidjojo, Anak Agoeng Gedeh Agoeng. Dat klonk toch even anders dan Janszen of Tilanus. Toen ik Pa jaren later de vraag stelde of, als het helemaal
een hem had gelegen en hij geen rekening hoefde te houden met de toekomst van zijn kinderen, of hij dan daar gebleven zou zijn, knikte hij zonder aarzeling. Zag ik voor het eerst, dat die grote sterke man kon huilen.
“Ik heb daar tenslotte ook veel familie achtergelaten”, was zijn argument. Intussen heb ik Garuda tv op de buis en Archipel in huis, kan ik met eigen ogen zien, dat die ‘inlanders’ toch ietsch grootsch hebben verricht in hun land. Een moderne natie, gericht op de toekomst. Een jong en ambitieus volk. Eens in de zoveel tijd bezoek ik
de Masuk sadja. Regelmatig terugkerende kumpulans in het gehele land georganiseerd door de stichting Pelita. Amersfoort, Arnhem. Den Helder, Nijmegen, Groningen, Amstelveen. Die gezellige bijeenkomsten, met zang, dans en steeds maar weer dat lekkere eten, worden druk bezocht. Door een al maar ouder wordend publiek. Sommigen al met krukken, weet je. Maar overal blije gezichten. ‘Leuk, dat ik je weer zie’ gezichten. In hun herken ik
het ‘optimisme tegen beter weten in’ van mijn ouwe heer, die zich zijn verdere leven hier dag in dag uit verbeten een weg zocht naar zijn werk 15 km. verder. Door sneeuw, wind en regen. Kaken stijf op elkaar om de neiging tot angstig klappertanden te verhullen. Hij was een ijskouwe, die ouwe. Japans krijgsgevangene geweest. Dan overleef je bijna alles. Hij moet toch wel eens hebben gedacht: “Waar doe ik dit allemaal voor?” Langzaam maar zeker,
een echte Indo hij, draaide mijn vader wat bij. Net hadden wij besloten, dat hij en ik samen naar Indonesia zouden gaan, bleef hij sodeju op een goede nieuwjaarsdag nota bene letterlijk in een niesbui. Waar hij niet meer is uitgekomen. De artsen wisten niet wat de overlijdensoorzaak was en vroegen toestemming voor nader onderzoek. Die hebben wij geweigerd. Hij is niet overleden aan ingehouden woede of ander verdriet. Bijna 80, wat wil je nou? Binnenkort ga ik. Op bezoek bij de andere helft van mijn familie. En als ik terugkom ga ik vertellen over hun en hun prachtige land, mijn land. Nederland is anders ook wel mooi, hoor, En mijn Hollandse vriendin best wel aardig. Setinga mati Televisie kijken is aan mij niet besteed. Doodmoe word ik ervan, setinga mati. Moeheid bestaat niet, heeft een Groningse psycholoog onlangs vastgesteld. Moe zijn is een gevoel, dat wordt opgewekt door een gebrek aan motivatie. De man is erop gepromoveerd door uitgebreid een kijkje te nemen in de menselijke hersenen.
Ik ben altijd geneigd geweest om psychologen met belangstelling voor hersenen per definitie te wantrouwen.
Maar luister. Tegenwoordig heb ik Garuda tv op mijn toestel. “The first Indonesian tv channel in Europe”.
“Your window to Indonesia, window to your heritage”. Geniet ervan, kan er geen genoeg van krijgen. Niet alleen van de nadrukkelijk dramatische producties, als Brama Kumbara, de Troon van Majapahit en Borobudur, een mix van authentiek Hollands televisiedrama uit de jaren zestig en hedendaagse soap. Er wordt vaak aandoenlijk in geacteerd, wat onherroepelijk op mijn lachspieren werkt. Van een betere kwaliteit is een soort volkstheater, dat doet denken aan het theater van de lach van een paar jaar geleden hier. De humor is alleen stukken leuker en er wordt spontaner in geacteerd door veelal jonge acteurs, die een heerlijk zelfbewustzijn uitstralen. Die spontaniteit en dat zelfbewustzijn van de jongeren verwarmen mijn hart. Zo ben ik niet grootgebracht, denk ik dan met
de nodige spijt. Culinaire uitstapjes naar alle hoeken van de archipel, vaak visgerechten, doen me elke herhaling weer het water in de mond lopen. Veel herhalingen inderdaad , geef neks, ik ben immers dol op vis.Veel muziek natuurlijk, gepolijste kerontjong afgewisseld door Indonesische popmuziek. Tranen in mijn ogen, als ik Yos Sahetapy & Group zie spelen met op de achtergrond de baai van Ambon, waar ik als nog zwemmen leerde van die kamponghond. Yos en de band zingen in hun beste Nederlands ‘Meisje blijf op mij wachten’. Nangis ik, maar opeens niet meer moe. Mozaik Indonesia en Archipelago zijn vanzelfsprekend mijn favoriete programma’s met documentaires over ontelbare bezienswaardige plekjes in het eilandenrijk en waarin ons een kijkje wordt gegund in de talloze musea en galleries, die Indonesia blijkt te hebben. Aandacht voor de traditionele dans en kunstnijverheden als, batik, zilver- en goudsmeden, houtsnijwerk, noem ze maar op. ‘Oasis’ neemt ons mee naar
de stad Jambi en verder het oerwoud in naar de stammen van de ‘Anak dalam’. In hun ‘Tweede Kamer’ overlegt men net zolang, tot iedereen het met elkaar eens is. De cultuur van die Anak dalam maakt deel uit van
de Indonesische cultuur en ook een beetje van de mijne. Kan ik mij verbeelden gelegen in mijn luie stoel. Ook ik ben geneigd net zolang te onderhandelen, tot ieder het met me eens is. Minder gecharmeerd ben ik van programma’s als ‘Design & Decor’ of ‘Beauty & Style’ waarin wij kennismaken met hedendaagse Indonesische binnenhuisarchitectuur en haute couture. Boeiend. Ik red het voorlopig wel met Hema en Dessertline of adventure.De meeste programma.s zijn gelukkig ondertiteld, weliswaar op een dikwijls abominabele wijze, maar ik verbeeld me, dat ik de hedendaagse Indonesische taal steeds beter ga kennen. Van de andere kant wordt mij duidelijk hoeveel woorden er overgebleven zijn uit het Nederlands. Als ik een middle class echtgenote in
een kinderserie het woord ‘precies’ hoor gebruiken. Motivasi, plester of soortgelijke elemen elemen belanda vliegen je om de oren. Met volle teugen geniet ik ervan, Garuda tv. Op den duur zullen wij er voor onze dagelijkse culturele voeding helemaal op aangewezen zijn. Onze ouders zijn inmiddels ver in de tachtig en weldra niet meer. Wij zullen erop aangewezen zijn, als de pasar pasar malam hier in Holland verder verwateren tot die saaie eenheidsworst nog net overgoten met een smakeloos pindasausje. Wij zullen erop aangewezen zijn. Indische cultuur, waar anders, wie anders en hoe anders? Indische en Indonesische cultuur vinden we eens per jaar, waar anders, in een tentenkamp op het Malieveld in Den Haag. De Pasar Malam Besar. Buitenlandse toeristen zullen misschien wel denken dat het hier gaat om een model asielzoekerscentrum, maar dat mag niet bommen. Elk jaar hebben wij daar weer een feestje. Want een feest is het elke keer weer. Je wordt er ondergedompeld in het Indisch cultuurgoed van weleer en van vandaag, vanzelfsprekend is er veel en overheerlijk eten in de eetwijken en je loopt er gegarandeerd weer eens je familie tegen het lijf. Want je familie, verre familie soms, woont in Limburg , in de Achterhoek van Gelderland,op de achtergalerij van Noord Groningen, waar maar. Lees daarover meer in ‘Gelders Blauw’, Indisch leven in de provincie. Tenminste eens per jaar echter zie je elkaar weer, in de buik van
de weduwe van Indië, Den Haag. Een van de grondleggers van het fenomeen Pasar Malam is, wie anders, onze onvolprezen Tjalie Robinson. Hij en een paar van zijn kornuiten bekokstoofden in de jaren 50 het idee. Tegenwoordig struikel je werkelijk over de Pasars Malams hier in Holland. Elke week vindt op tenminste twee plekken iets plaats, wat zich Pasar noemt. Maar het oorspronkelijke concept zoals dat zich al meer dan 40 jaar op het Malieveld ontvouwt is van Tjalie. Het concept luidt: ‘De Indische cultuur, koste wat het koste, behouden en uitdragen’. De organisatie van een dergelijk megafestijn is in handen van een goedgeoliede machine. De boel is daardoor wel stukken commerciëler geworden in de loop van de tijd. Je betaalt je Indoblauw man, om er te mogen staan met je Indische prullaria of om er toegang te verwerven. Kwaliteit staat bij de PMB nog steeds bovenaan.
De rest van de pasars is in vergelijking daarmee ronduit bullshit. Op een paar na, zoals de Pasar Malam Bali te Zwolle en Pasar Perron in het juist gerenoveerde Spoorwegmuseum te Utrecht. Overal echter wordt Tempo Doeloe je door de strot geduwd. De tijd tikt onverbiddelijk verder en de meeste Indo’s van het eerste uur hier in negri belanda hebben inmiddels hun krontjonggitaar al aan de wilgen gehangen. Indorock is met de vut gegaan. Waarom zou een jonge Indo nog naar een Pasar Malam gaan? De jongste generaties spreken de taal niet meer en hebben weinig of geen feeling met Tempo Doeloe. En inburgeren? Inburgeren is volgens hun niet veel anders dan ‘leren eten met mes en vork, uit jouw neus’. Voor hun is tempo doeloe een gepasseerd station. Pasar Perron. Zij zijn stuk voor stuk weldegelijk geïnteresseerd in hun roots, maar hebben toch meer met rapdance dan met tapdance. Een mooie blouse van echt batik uit Jogja boeit hun niet. En om hun natuurlijke interesse te kunnen vasthouden moet er misschien wel iets veranderen aan het huidige concept, maar hoe anders? Hoe behoudt je de Indische cultuur eigentijds, en hoe draag je die uit in dit tijdperk van internet en pasarplaats.nl? De jonge Indo zal vroeg of laat op zoek gaan naar zijn of haar roots. Ze zullen altijd een glimlach van herkenning ronde de lippen krijgen, wanneer ze de taal van oma horen of die taal terugzien op een T-shirt. Soms, soms zijn ze zelf zo creatief om hun muziek, hun tekeningen of schilderijen, beelden en gedichten te voorzien van een hedendaags Indische signatuur. Jazzgitarist Olaf Tarenskeen gooit Indische noten in zijn muziek. Tjampoer adoek, of wat? Niet te vergeten ook de Krontjong jazli van Kim Pendjol met haar band ‘Krontyoung’. Je Indische hart springt toch open bij zoiets? We komen ze ongetwijfeld nog vaak tegen, deze jongere fakkeldragers.
Al bosan immers van Anneke Grönloh?



IndonesiaTrip2006

Op uitnodiging van het Indonesische ministerie van Cultuur mocht ik afgelopen november met een dertigtal journalisten van over de hele wereld een promotietour meemaken langs een aantal mooie plekken in Indonesië.
Ik was er sinds mijn vertrek naar Holland in de jaren 50 niet meer geweest. Toen we landden op International Airport Sukarno-Hatta, zag ik een Hollands landschap voorbijglijden, weilandjes, sloten, hier en daar een boom, schuurtjes met rode pannendaken. Wellicht zo aangelegd in om Batavia gelijkenis te gunnen met Holland. Door omstandigheden arriveerde ik een halve dag eerder dan de anderen. Ik werd opgewacht door een chauffeur, die de passagiers een papier voorhield met mijn naam. Perfect. Ook de verdere Trip bleek perfect georganiseerd.
De taxi bracht me in een onbeschrijfelijke maar geoliede verkeerschaos na een wilde rit bij hotel Borobudur. Onderweg las ik op de borden namen, die mij bekend in de oren klinken. Kebon Jeruk, Kebon Siri, Senèn, Menteng, Cikini, Tanah Abang, Glodok, Passer Baru. Hotel Borobudur is een 5 sterrenhotel ingericht in
een weelderige, koloniale Tempo Dulu stijl. De sprinklerinstallatie is van glimmend koperwerk. Sprookjesachtig onwerkelijk. Men wilde ons een beeld voorschotelen van Indonesië op zijn mooist. Dat is hun gegarandeerd gelukt. Het begon met een welkomstdiner. Iemand van het ministerie hield een speech. Later vroeg hij mij welke rang ik bij ‘Archipel’ bekleed. Was ik hoofdredacteur, of adjunct? Ik legde uit, dat ik freelancer ben en mij in het dagelijks leven verhuur als psycholoog op een school. Daarmee had ik onmiddellijk zijn sympathie gewonnen. Hij heeft ook psychologie gestudeerd, culturele psychologie. Ja, dat kan tegenwoordig in modern Indonesië. Je moet het ijzer smeden, zodra het heet is, weet ik. Vertelde hem, dat ik een dag langer op Bali moet blijven, omdat daarna pas mijn retourvlucht kon worden geboekt. No problem. Al wilde ik nog een week langer blijven. Overal om mij heen lookalikes van mensen, die ik in de Indische gemeenschap van Holland ken. Wat men mij al voorspelde.
Zo’n beetje de gehele crew van de Pasar Malam Besar zag ik voorbij komen. Voelde me meteen weer thuis.
Wat men mij ook voorspelde gebeurt niet. Ik geraak niet in tranen als gevolg van lang vergeten geuren en kleuren. De stad stinkt gewoon, net als Parijs of Rome. Naar vooral autogassen. Zou die sprinkler in het hotel het werkelijk doen? Ben er niet echt benieuwd naar. Waarom ben ik hier ooit weggegaan. De mensen zijn zo mooi.
Zelfs de jongens, de jongos. Behalve het meisje, met haar tempo dulu knipmesmotoriek, dat bij de ingang de deur voor je open houdt, zie ik vooral vastberaden, ambitieuze mensen de wereld hier draaiende houden.
Op een manier, die mij met een zekere trots vervult. Trots? Wat is hier aan de hand? Heb ik mij al die jaren laten misleiden door het vooroordeel, dat “die Indonesiers, er ongetwijfeld een zootje van zouden maken”.
Een uitspraak van mijn vader in 1950. Die eerste avond geslapen als een karbouw. Jonge obers, zo weggelopen uit een schilderij van modderbadende karbouwen onder het toeziend oog van een Javaanse jongen. Ik geniet van
het ontbijt met veel koffie, in de verte een waringin. Dat ik hier ooit ben weggegaan. De trip begon met een rondrit door Jakarta. Wij werden gereden langs het presidentieel paleis, het nationaal Museum, het Nationaal monument, de kerk aan het voormalige Wilhelminaplein, waar ik ooit met mama kaarsjes brandde voor mijn vader, die in Japan knijp zat. En vanzelfsprekend Oud Batavia. De oude haven Sunda Kelapa is prachtig, met de houten schoeners, de Bugis phenisi. De enig overgebleven vloot ter wereld van zeilschepen, waarmee de Indonesische wateren louter op windkracht worden bevaren. Zoals gezegd, men heeft van Batavia een reproductie willen maken van Amsterdam, de Engelse brug, de Hollandse brug, Molenvliet, de Chinese wijk Glodok. Ben je afkomstig uit India dan woon je in Pasar Baru. Een museum is niet aan mij besteed. Heb er hooguit twee foto’s gemaakt. De eerste noemde ik ’Mama, kijk zonder handen’. De andere, een doodskop in een houten foudraal, ‘Leuk voor op
de schoorsteenmantel. Altijd een voorouder binnen handbereik’. Jakarta bestaat 467 jaar. Veel is er in de ruim 50 jaar veranderd of verdwenen. Veel is er bewaard gebleven, in een dikwijls gehavende staat. De karretjes met heerlijkheden zijn er nog steeds, Soto ayam, nasi campur, sateh babi. Overal Nederlandse woorden. Stroom accu, bengkel knalpot. Er raast een vrachtauto voorbij. Ambeven is het middel, aambeien de kwaal. Springlevend nog is de legendarische levenswijze van de orang Betawi speels en soms schalks, .“Mooi zijn ze nog steeds de meisjes van Batavia. Glorie glorie glorie gloria…”. Zodra ik weer in Holland ben, pak mijn mondorgel en speel dat liedje, zoals ik het tijdens de bezetting van mijn moeder leerde, naast lezen, schrijven en rekenen. Tranen? Neen. Ik ben
een ijskouwe Na de lunch hup per binnenlandse vlucht naar Jogjakarta, aan de voet van de Merapi. In Jogja begon voor Indonesië de victorie, In Jakarta rijden geen becaks meer. Hier nog wel. Opnieuw een 5 sterren hotel. The Grand Mercure, lekker douchen. Vliegen is inmiddels geen probleem meer. No problem. “No more fear of flying, no more tears of crying”, Ze hebben in het hotel stopcontacten als in Holland. Wat heeft een beetje journalist aan elektronica bij zich tegenwoordig. Mobieltje, digitale camera, laptop. Daarvoor is in hotel Borobudur een verloopstukje nodig. Om kwart voor 5 opgestaan. Ontbijten en dan hup in de aircoditioned bus naar Kaliadem met als centraal punt de vulkaan Merapi. Ruïnes alom, verschroeid aarde. De niet vuurvaste bunker, waarin tijdens de laatste uitbarsting twee vluchtelingen levend zijn verbrand. Hadden zij kunnen weten, maar wat doet een mens in doodsnood. Even Buitenzorg bellen. De Indonesische kijk op een dergelijk drama is “Het leven is nu eenmaal een opeenvolging van lijden en ellendevorming. Om die reden immers, huilt de baby bij de geboorte, krijgt nooit een lachstuip”. Als ik weer thuis ben, ga ik daar onderzoek naar doen. “Hoe vaak barst een pasgeborene wèl in lachen uit”. Op weg naar de koffieplantage ‘Losari’ komen we steeds dichter bij de streken, waar mijn vader is grootgebracht. Ambarawa, Bedono, afslag Magelang. In Magelang ontmoette een Belgische soldaat-boekbinder en later legerbibliothecaris Victor Piette, ooit de Javaanse Sima. Hij is mijn overgrootvader. En daar begint het, ik zie overal ooms en tantes lopen. En mijn vader. Ik zag er een, die trekken van papa vertoonde, welke ik altijd had beschouwd als juist Europees. Onlangs nog speelde ik in een toneeluitvoering over Kartini, de eerste Indonesische geëmancipeerde vrouw. Ik speelde haar vader, de sultan. Het stuk speelt zich af waar ik nu loop! Adembenemend. Station Abarawa. Ook een spoorwegmuseum is aan mij niet besteed. De bergrit per stoomtrein naar station Bedono, het hoogste punt, leverde onderweg wel prachtige plaatjes op. Dan de Losari koffieplantage, mooi, mooi, mooi. Alweer zo’n enclave van welvaart, overvloed en natuurschoon. Mijn familie heeft geleefd op plantages.
Hier hebben zij gelopen, waar ik nu loop. Hebben zij tennis gespeeld. Tranen? Neen. ’s Avonds de welkomst receptie van de Conferentie Ecotoerisme in hotel Cankringan, een schitterende omgeving. Lekker eten in overvloed, met name de sate, die smaakt als die van mijn moeder. Lekker eten en Javaanse dans. Jogjakarta is
het centrum van de klassieke Javaanse dans. Hier een immense groep dansers. Drie dansen, waarvan er één
de heroïsche strijd tegen voormalig kolonisator Nederland uitbeeldt. De Ecotourism conferentie maakte in ieder geval duidelijk, dat het idee lovenswaardig zijn. De natuur dient ontzien en de baten dienen ten goede komen aan de plaatselijke bevolking. Het product heet ‘Avontuur’. De Engelse ambassadeur aan het diner rond een kampvuur in het regenwoud vond dit de belevenis van zijn leven, vooral toen er hoog vanuit een boom een aap in zijn bord eten plaste. Ecotourism, splendid! Kan ik als ecotoerist met de plaatselijke bevolking baden in een kali op Bali? Net zoals Lady Di dat flikte onder een waterval op het eiland Moio? Als je ervoor betaalt, is hier alles te regelen.
Wij verlieten de conferentie voor een beklimming van de Borobudur tempel in Magelang, een van de acht wereldwonderen gebouwd rond 800 na Chr. Het gebeitelde stripverhaal over Boedha. Je nieuwsgierigheid naar andere wereldwonderen verflauwt onmiddellijk. ’s Avonds gegeten bij de Prambanan tempel die in een zee van licht baadde. Vandaag zou mijn vader 92 geworden zijn. De volgende ochtend, 05.00 uur, departure to Den Pasar, Bali. No more fear of flying. Het derde hotel, Novotel hotel te Benoa, is naar mijn smaak het gerieflijkste en meest gastvrije. Na de lunch een bezoek aan GWK. “Aha", dacht ik, “kan ik eindelijk mijn geld veilig wisselen”.
GWK staat hier op Bali echter voor een beeld van Garuda en de god Wishnu, dat ooit met goud ( Kencana ) zal worden bekleed. Een beeld dat uiteindelijk 197 meter hoog zal worden. Daarvan is inmiddels 17% gerealiseerd. Het geld is tijdelijk op, mede door het ingestorte toerisme. Snel naar Uluwatu, waar de tempel met de brutale apen is. Als je niet oppast stelen ze je op een onbewaakt ogenblik zomaar je bril van het hoofd, was de nadrukkelijke waarschuwing. Zo geschiedde. Brutale apen en hanengevechten voor wat druppels bloed t.b.v. het offeren.
Wat is de zee hier prachtig. Barong dans, met schitterende maskers en krissen over de eeuwige strijd tussen goed en kwaad zonder ooit een definitieve winnaar. Vandaag wint het goede. Prachtige kostuums, amusante acteurs en dansers. Ajo, op naar Tampak Siring een tempelcomplex, waar Sukarno een buitenverblijf liet bouwen.
Zag een boom met de reusachtige jeruk Bali. Lunch ergens bij Kintamani: met in de verte de vulkaan Batur, gunung Batur, die in 1998 nog vuur spuwde, aangrenzend een prachtig meer. Rond dat meer woont nog de oorspronkelijke bevolking. Bali wordt nu grotendeels bevolkt door verjaagde Hindoes van Java. Zij cremeren hun doden, om hen zo terug te geven aan de natuur. De oorspronkelijke bevolking legt de overledenen in het open veld. opdat ze door wilde dieren worden verwerkt. Een iets andere manier van teruggeven aan de natuur. Daar hadden zij geen denktank voor nodig. Een halve dag vrijaf. Uitgeslapen tot kwart voor negen en van schrik uit mijn bed gesprongen. Zou er nog ontbijt zijn? Ja hoor, ontbijt tot 11.30 uur. 12.00 uur lunch. Op naar Tanah Lot
een tempel, die bij vloed geheel door de zee is omringd. Lunch in Kuta, waar de aanslagen plaatsvonden en meer dan 200 mensen omkwamen. Het toerisme zakte daarna als kaartenhuis ineen. Een paar dingen zijn deze reis moeilijk gebleven voor mij, onhandige toerist. Geld wisselen, het water is hier niet om te drinken, mobiel bellen en internetten lukt niet altijd even vlot. En toch ook de taal. Op zoek naar een nagelknippertje, beland ik na veel navragen uiteindelijk bij een manicure, die terwijl zij mijn nagels doet me en passant een massage aanbiedt. Ik laat haar gaan tot aan mijn schouders en bezweer haar, dat ze me niet mag kietelen. Zij kan er niet om lachen. Onkos 20 Dollar. In Amerikaanse films staat een ieder, die een taxi nodig heeft, vaste prik tevergeefs naar zo'n yellow cab te wenken Hier op Bali zijn de taxi's blauw. Ze lonken in colonne naar je. Ook al leg je uit, dat je om de hoek een afspraak hebt, ze willen je erheen rijden. Als je voet bij stuk houdt, proberen ze met omfloerste stem
en ondubbelzinnige blik: "Want a woman? Or eh,massage?" Hoe leg je uit, dat je geen massage wil? Van een taxichauffeur. Dan is de tour opeens voorbij. Te snel. Iedereen gaat naar huis. Naar Singapore, Zuid Afrika, Australië, China, Jordanie. Ik morgen pas. Tijdens het laatste ontbijt duikt er een Chinese collega uit het zwembad op, hij komt aan mijn tafeltje ontbijten. Per abuis doet hij zout in zijn koffie. Aangezien hij geen Engels spreekt, regel ik nieuwe koffie voor hem. De koffiejuffrouw meent, dat hij mijn zoon is. Komt een mens voor zulke misverstanden naar zijn geboorteland? Rest nog het ritueel 'uitwisselen van visitekaartjes'. “Don’t forget me”.
De laatste kiekjes worden geschoten. Tranen bij het afscheid. Niet bij mij, Samen met Peter, die toevallig zojuist op Bali is aangekomen, bezocht ik Ubud, waar veel kunstenaars zich blijvend hebben gevestigd. Het Bergen van Bali. Daarna nog wat kiekjes staande in de sawah. De laatste prenten van dit emotionele bliksembezoek. Morgen naar huis. De dame van de receptie wenst mij alvast het allerbeste en vaarwel. Morgen is zij namelijk vrij. Ongelooflijk attent en aardig. Als ik in het winkeltje van het hotel voor de laatste keer wat rondneus, vraagt de juffrouw nieuwsgierig waar ik vandaan kom. Holland. Zij kijkt me verbaasd aan, volgens haar kom ik uit Indonesië. Nadat ik het uitleg, is zij gerustgesteld. Zij heeft nl. een Nederlandse buurman en die heeft een geheel andere neus.
Hij heet Klaas. Toch niet Klaas Mulder? Zij slaakt een gilletje van ongeloof. Jawel, de wereld is te klein. Wij zijn deze trip van hot naar her gesleept. Plekken met een hoog toerismegehalte. Teveel tempels gezien, stuk voor stuk echter zeer de moeite waard. Deze reis heeft een verpletterende indruk op mij gemaakt en zal in mijn gedachten blijven naijlen, totdat ik weer ga. Misschien is het verbeelding, ik voelde me deze week regelmatig ontvangen als de verloren zoon. Dezelfde koffiejuffrouw van gisteren begrijpt, dat de groep inmiddels vertrokken is, maar dat ik nog een tijdje blijf. Als ik zeg, dat ik vandaag ook vertrek, is zij teleurgesteld en wenst mij al het goede. Nee, geen tranen. Een ijskouwe zij. Om 12.30 precies een taxi om mij naar het vliegveld te rijden. Vertrek van Den Pasar naar Kuala Lumpur, daarna nog 12½ uur vliegen naar Schiphol. Weer thuis. Adoe, heb helemaal geen last gehad
van heimwee, weet je?


*****

Roy Piette 

E-mail:piette.roy@gmail.com

06 - 53448142