Columns

And
that’s the way it is.
Hebben
jullie het laatst gelezen?
Vast wel. Walter Kronkite, 92, is
overleden.
Met de regelmaat van de klok gaan er mensen om ons heen dood. Niks
bijzonders eigenlijk.
Simon Vinkenoog haalde op een haar na zijn 81e
verjaardag, hij is ook al niet meer.
Remco Campert, onder meer een
begenadigd dichter, is bijna jarig, 80 wordt hij.
Zelfs zijn laatste
snik zal een adembenemend gedicht zijn, voorspel ik je. Ik zelf ben
nog
niet zover, hoor.
Heb nog maar koud mijn eerste hartinfarct achter mijn kiezen,
maar
toch. Ik krab me in deze fase van het leven regelmatig achter het oor.
Pak Warno, een oud Kniller en
laatstelijk bekend als de Indische
troubadour
uit Heerenveen, tidak ada lagi. Er is geen Pasar Malam Besar
meer
in dit land. Die was toch voor velen een baken in het jaar. Ergens
tussen Hemelvaart en
Pinksteren had je een date op het Malieveld.
Afgelopen uit. Is dit een teken aan de wand?
Heeft
het nog wel zin, vraag ik mij
steeds vaker af, terwijl ik me somberend achter het oor
krab, heeft het
nog wel zin, om mij langer druk te maken over Indische cultuur en
het voortbestaan ervan hier in Holland? Al bossen af en toe, weet je. De
Indische cultuur
bestaat net zo min als de Indo,
volgens onze kroonprinses en heeft daarom alleen al
nauwelijks recht op
welke vorm van voortbestaan dan ook, somber ik voort. De Indische
jeugd
van tegenwoordig moet het voortaan maar doen met de wetenschap, dat
tempo doeloe echt voltooid verleden tijd is. “That’s
the way it is”.
Of heb
ik het mis? Nog niet zoheel erg tempo doeloe is
bijvoorbeeld , dat
de vereniging INOG, van de Indische naoorlogse
generatie, binnenkort 20 jaar bestaat.
Je moet maar weten welke INOG,
want er zijn er wel drie, geloof ik. Indischer kan het
bijna niet.
Tevergeefs waarschuwde William Shakespeare al, hij heeft nog zo gezegd:
“Inog is inog”. Of ik daar feestelijk leuk wil
komen doen, met eenIndisch sprookje
of een quiz. De ‘Masoep sadjaas’ van Pelita in
Amstelveen, de
oergezellige koempoelans,
hebben binnenkort ook een lustrum, 10 jaar pas bestaan zij. Ook daar
wordt mij
gevraagd
leuk te komen doen. Samen met Anneke Grönloh nota
bene.
Er zit
misschien toch niets anders
op, voel ik aan mijn theewater, dan tot mijn laatste snik
bezig te
blijven met Indische cultuur en aanverwante zaken. Doorgaan tot aan het
gaatje.
Wat dat betreft kan ik een voorbeeld nemen aan si Simon. Zijn been al
draf, hij bleef
door maar lachen, die vent. Dol op het leven in plaats
van bang
voor de dood.
Pak Warno idem dito, niet te stuiten was die kerel met
zijn
gitaar. Wij zullen hem
gaan missen. Wellicht kunnen wij ter herinnering
aan hem een passend monument
bouwen, daar in Heerenveen.
Zo is
er een initiatief tot een ‘Indisch
Welkomstmonument’ in Amsterdam. Geloof je?
“Dat monument doet recht aan de Indische en Molukse
immigranten, die zich vanaf
de jaren 50 van de vorige eeuw in de
Westelijke tuinsteden hebben gevestigd en
wier komst van onschatbare waarde is geweest voor de ontwikkeling en
emancipatie
van dat deel van Amsterdam”.
Aldus verklaarden de initiatiefnemers tijdens de uiterst gezellige
tuinpasar ‘Jembatan’ op
een zomerse zondagmiddag
in Amsterdam West. Ik was daar die dag als van ouds bij.
Dol op de
warme Indische gezelligheid daar en heerlijke sateh kambing.
Garuda
Indonesia vliegt binnenkort weer
naar Europa. Nah, dat is pas goed nieuws.
Eindelijk kan president Susilo Bambang Yudhoyono met goed fatsoen hier
op staatsbezoek komen.
En wij kunnen op onze beurt non-stop van Schiphol naar
Jakarta,
naar Bali, of waar maar. Wacht even, zijn zij tegenwoordig weer te
vertrouwen,
die lui van
Garuda? Eerst niet en nu opeens wel. Oom Walter kon je altijd
vertrouwen,
die kon je vertrouwen als je kontzak. “And that’s
the way it is”, zei hij er
telkens
voor de zekerheid bij. Zoals mijn moeder haar gedurfde
veronderstellingen steevast
afsloot met de woorden
“Heus, geloof me vrij”.
Verdriet gaat altijd over
Verdriet gaat bijna altijd over, over iets wat niet meer terugkomt. Op
de kade speelde
een militaire kapel het Wilhelmus. Mensen, van wie ik de meeste niet
kende,
zwaaiden ons
uit. De trossen werden los gegooid, langzaam zette de boot zich
in
beweging en stoomde vastberaden weg. Terwijl de kapel driftig
doortetterde.
Ik wist dat de boot langs ons huis, dat aan het strand lag, zou varen.
Ongeduldig en gespannen wachtte ik dat moment af.
‘Kijk daar’, wees mijn vader. Terwijl het huis in
de verte langzaam aan ons
voorbijtrok, kroop er een traan over mijn wang. Ik wist zeker, alhoewel
niemand mij het met
zoveel woorden had gezegd, dat ik nooit meer naar dat huis
terug zou
gaan. Verdriet maakte zich meester van een 7-jarig jongetje
op reis
naar Holland.
Veel eerder dan gepland. Indische jongens gingen over het
algemeen pas naar Holland
tegen de tijd, dat zij wilden studeren.
Eenmaal in Holland, ging ik dus eerst gewoon
naar school. Op de
middelbare school, waar ik mij nauwelijks met leren bezighield, omdat
ik het nu eenmaal veel te druk had met belangrijker zaken, veroverde ik
een alleraardigst vriendinnetje.
Maar zoals dat meestal gaat, raakte
die verkering vroeg of laat uit. Te vroeg,
als ik het me goed herinner. Ik hoorde ook toen het Wilhelmus door mijn
hoofd gonzen,
Laura zwaaide nog een laatste keer naar me, toen ik
omkeek, er biggelde een traan over mijn wang. Moet nog altijd huilen
als het Wilhelmus wordt gespeeld
sinds die keer aan de kade. Of Irene
Wüst nu de 1500 meter wint of AZ uit van Manchester United.
”Verdriet gaat bijna altijd over”, verzekerde mijn
moeder
me, terwijl ze een troostend kusje op mijn voorhoofd drukte.
“Het leek me zeker een geschikt
meisje,
maar zo uniek is zij nou ook weer niet”, voegde Mama daar nog
aan
toe.
Soms helpt troost bitterweinig.
Ben nooit naar Indonesië teruggeweest.
Niet in de laatste plaats
omdat ik me vliegangst had ingebeeld. Tot ik vorig jaar november
onverwachtwerd uitgenodigd om een 8-daagse trip door Indonesië
mee te
maken. Inmiddels net
een
echte Hollander geworden, kon ik deze geheel verzorgde en gratis reis
natuurlijk niet afslaan.
Ik zette mij dapper over de ingebeelde
vliegangst heen. Ben daar en passant geheel
van genezen, sinds ik die
week wel zes keer in een vliegtuig ben gestapt. De reis werd
een onvergetelijke belevenis en ik kon me wel voor mijn kop beuken,
dat ik niet veel eerder ben gegaan. Had kans gezien 56 jaar lang mijn
heimwee te bedwingen, zonder een
traan te laten.
Ik voelde me in Indonesië ontvangen als de
verloren zoon. En ik was het niet vergeten,
het land is onvergetelijk
mooi, het eten overheerlijk en de mensen hartelijk.
De armoede vaak
schrijnend daarbij. Met pijn in mijn hart en veel te snel ben ik weer
huiswaarts gekeerd.
Een paar weken na mijn terugkomst uit mijn geboorteland, bijna
kerstmis, ontving ik onverwacht een heel leuk mailtje. Van mijn
allereerste
meisje.
Nee
niet die van de zangvereniging, maar (ja juist) die van het A.Roland
Holst
College.
Ja illah, ze was inmiddels al veertig jaar met iemand anders.
Ik kan me wel voor mijn kop beuken, dat ik haar zelf nooit eerder heb
gezocht. Want zij is nog onvergetelijk mooi, haar lippen overheerlijk
en haar mailberichten allerhartelijkst.
Tamelijk uniek mag ik wel
zeggen.
Was van plan haar nog vaak op te zoeken, zoals ik ook een serie reisjes
naar Indonesië op het programma heb gezet. Indische jongens
zijn
langzaam, maar zeker. En misschien, misschien ga ik er voorgoed heen,
droom ik.
Verdriet gaat soms toch ook over iets wat in je leven geheel onverwacht
terugkomt.
Het is wel een onrustig land Indonesië. Aardbevingen,
overstromingen, vlieg- en scheepsrampen. Gelukkig heb ik geen
vaarvrees. Mijn vader was zeeman. Binnenkort ga ik weer. Enneh Laura
woont nu al weer een tijdje bij me.
Soms houdt een Indische jongen van
opschieten.
Alleen maar
Indische
mensen hebben ontegenzeggelijk een aparte manier van spreken.
Een leuke manier doorgaans, die mij nog steeds als muziek in de oren
klinkt.
Al hoor je er steeds minder van. Tante Dik is kortgeleden op bijna
92jarige
leeftijd overleden. Met haar ging een van
de laatst overgebleven stukjes
familiecultuur heen. Om misverstanden te voorkomen, ik doel hier niet
op het
‘petjoh’,
want dat is zo langzamerhand voorbehouden aan de laatst overgebleven
Indische cabaretiers.
Wij
staan hier stil bij het op zich redelijk
correcte Indische Nederlands, dat ook bij ons thuis te horen was.
Correct,
afgezien van bijvoorbeeld het onverwacht stokken van een met veel
emotie
aangevangen zin. “Adoe, ik zeg jou!”. Als kind
wachtte ik met spanning af, wat tante
dan eigenlijk zei. Nu begrijp ik, dat haar op dat moment iets
onoverkomelijk dwars
zat.
Geïrriteerd zij.
Ik kan
mij die aparte spreekstijl zo
indringend van mijn ooms en tantes herinneren, maar vooral van mijn
moeder. Ik
hoor haar nog verzuchten:“Die Royke van mij zegt door maar,
dat hij binnenkort bij me aankeert, …. alleen
maar”. Help te geloven, met andere woorden. Dat
‘alleen maar’ staat voor
zoiets als ‘bullshit’. Maar zulke woorden gebruiken
Indische moeders beslist niet.
Bestaat niet.
Zo op
het eerste gezicht een vreemde
woordcombinatie, ‘alleen maar’. Maar het gaat
daarbij om het melodietje, waarin
deze gezongen wordt. Dat is een heel ander melodietje, dan dat van
‘Alleen maar
niet eenzaam’. Het Indische ‘alleen maar’
heeft een melodie, waaruit nadrukkelijk
een cynisch ongeloof spreekt. Ongeveer in de trant van
“Alleen maar dat, meer
niet?”
Of zoals ‘Doe maar’ zingt: “Is dat
alles?’
Alleen
maar, maar ook ‘laat maar’. “Soedah
deh, laat maar. Jij gelooft mij
toch niet”. Het woordje ‘maar’ overigens,
zo heb ik hier in Holland geleerd,
is vaak een woordje waarmee je een voorgaande bewering ongemerkt
uitgumt.
De oplettende lezer zal het zijn opgevallen, dat ik in bovenstaande
alweer 15
maal dat woordje ‘maar’ heb gebezigd.
Dat
het waarachtig een uitgumwoord
is, heb ik zelf maar al te hevig aan den lijve moeten ondervinden. Mijn
eerste
verloofde veegde eens lang gelee met de volgende woorden afdoende de
vloer met
mij aan. “Roy, ik houd zielsveel van je, maar je moest eens
wat vaker je voeten
wassen”. God zal me liefhebben, zij liet mij daarmee in
opperste verwarring
achter.
Het
was sindsdien niet meer, zoals
die verliefdheid ooit begon en het werd nooit meer wat tussen ons. Die
relatie
eindigde, als de zovele daarna, in oeverloze discussies, boordevol
‘maren’.
Alle poëzie daaromtrent, soms geschreven in zuurstofrijk
bloed, dan weer in Oostindische
inkt, werd met één veeg uitgestieft. Weg. Abis.
Tranen met tuiten heb ik
gehuild. Soedah deh, laat maar. Ik hoor mijn kleindochter vaak zeggen
“Ja, deh!!!....”,
maar dat is duidelijk een andere ‘deh’. Modern.
Dan
hebben we per slot nog het
Indische ‘door maar’. Ik zag laatst zo’n
vierde generatie Indo apentrots rondlopen
in een t-shirt met daarop de tekst ‘Door maar makan
sambel’. Sambel met een
klankloze -e, gevolgd door een nadrukkelijke -l.
Dit volgens de Bataviase
spreektrant. Om erop te wijzen, dat een dikke klont sambal Betawi niet
mag
ontbreken op je bord eten, wil je voluit kunnen genieten van wat er
verder op
ligt. Tante Dik kon dat woordje ‘sambel zodanig, bijna
gezongen voordragen, dat
het water je in de mond liep.
Vera, want zo dik was zij aan het eind van de rit niet meer, maakte
graag een
overheerlijke petjil. Dat zal ik nooit vergeten.
Zo pedis, dat het haar op je
hoofd erbij begon te kreunen van genot. Een karaf ijswater binnen
handbereik. Enfin,
wij hebben dus laat maar, door maar en alleen maar. ‘Doe
maar’ is trouwens ook
Indisch, maar niet heus.
Bestaat niet
We
hebben het haar allemaal horen zeggen.
Prinses Maxima zelf en nog wel op tv:
“De Indo bestaat niet”. Veeg haar! Zij heeft
gemakkelijk praten, zij is de
kroonprinses.
Daar is er maar eentje van. Maar ja, het antwoord op de vraag
‘Wat is brood?’ schud
je ook niet zomaar uit je mouw.
Wat is
een Indo? Griekse
filosofen bogen zich al over die prangende vraag. Si Aris total loss
om er maar een te noemen. Hij zegt: “Loh, muulek
dese…de regenwurm hij ontstaat
uit
de modder, de vrouw hij is een mislukte man, maar wat is nou eigenlijk
een
Indo?”
Wouter Muller heeft er van armoe maar een liedje over gemaakt.
Het
volgende twistgesprek hoorde ik
op het feest ter gelegenheid van het 60 jarig bestaan van Pelita.
Indisch
Maatschappelijk werk, of wat?
- “Zeg,
heb je al gehoord? Ze geven vandaag volgens zeggen een gratis
rijsttafel”.
- “Bestaat niet”.
- “Bestaat niet? Ze zullen ons heus niet verlakken, hoor, die
lui van Pelita.
Wij zijn Indo’s immers, die verlakken elkaar niet. Bestaat
niet? Wat nou jij
met je bestaat niet. Je lijkt toch wel een echte Indo, jij. Ga nog
eventjes
door, de Indo bestaat niet? Je moet zo’n
prinses niet meteen geloven
jij. Hoepel toch gauw op man. De? Wat nou. De de de … Jouw
Dee’s zijn gewoon precies
als die van een real Indo”.
Met de
regelmaat van de klok stellen
Indo’s zich de vraag “Wat is een Indo?”
En de tijd lijkt te dringen, want zo
aanstonds bestaat de Indo niet meer. Nog voordat we het erover eens zijn
geworden. Het lijkt zo eenvoudig. Een Indo is gemengdbloedig, Europees
en
Indonesisch. Indo
is immers de verkorte
vorm van Indo-Europeaan? Memang. Maar iemand van louter Europese
afkomst dan,
die in het toenmalige Nederlands Indië is geboren en getogen?
Die voelt zich dikwijls veel meer Indo dan Europees. Wat mij betreft:
Als je je
zo voelt, dan ben je er eentje.
Ken wel, voor deze keer.
Andy
Tielman van de Brothers is niet
blij met het begrip ‘Indorock’, zegt hij. Indo is
voor hem en nog voor zovelen
een soort scheldwoord. Voor anderen is het inmiddels
een geuzennaam geworden. Andy voelt zich Nederlander. Ik zelf ook hoor,
maar
dan toch meer zoals
‘An Englishman in New York’.
Ik wil
weer eens trouwen en heb
daarvoor een geboorteakte nodig. Nergens te vinden. Ilang, tijdens al
mijn
verhuizingen. Het is alsof de mensen achter de diverse balies grijnzend
willen
zeggen: “U bestaat helaas niet”. En zij blijven
halsstarrig
zo grijnzen, ook al
staat in voorgaande trouwakten toch steeds
duidelijk vermeld
‘…….Robert Felix, geboren te
Djakarta’. Hopeloos
werkelijk, die bureaucraten in Holland.
Minister
Ella Vogelaar zwaaide ons
(ons?) lof toe met de volgende woorden:
“Na zestig roerige jaren kunt u met recht en trots zeggen,
dat u zich een
plaats verworven heeft in de Nederlandse samenleving”. Zij
zei dit tijdens dat feest
van ‘Pelita’.
7531 Mensen bezochten het feest. “Zoveel mensen!”,
riep Winnie Sorgdrager uit,
“De Indische samenleving leeft.” Wel heb ik ooit.
Wat is
brood?” Jesus brak het brood,
ja maar wij weten
nu ‘het brood bestaat
niet’.
Aristoteles is er destijds na lang piekeren, dat doen filosofen de
godganse
dag, uiteindelijk ten lange leste uitgekomen.
“Een Indo? Een Indo is langzaam.
Maar zeker. Maar zeker langzaam.” Onzin natuurlijk. Er is nog
één hoop
misschien, ja.
Wie weet worden wij iets wijzer op het Pindakaasfestival. Geloof
je? Bestaat niet immers, pindakaas? Katjang idjo, je heb. Kacang
kédju,
isterniet.
Indo-Europeaan
Oom
Max Bello is overleden. Een van
de laatsten der Indische Mohikanen.
Van de generatie boven de onze zijn er een handvol overgebleven nu. Nog
even en
onze generatie, ook al aardig aan de leeftijd zo is rondom te zien, zal
de
fakkel overnemen.
De fakkel van ‘Indisch zijn in Holland’.
Hij
heeft zich nooit aangesloten bij
het I.E.V, was wars van dat soort bewegingen, maar als iemand aan het
profiel
van de Indo-Eoropeaan voldeed, dan
was het Max. Dat werd mij nog eens duidelijk tijdens de herdenking bij
zijn
crematie. Onvermoeibare werker om het hoofd boven water te houden nu in
Holland, zoveel mogelijk overwerken om ook de in Indonesië
achtergebleven
familie te kunnen ondersteunen, dat was Max. Hij was er
één, die begreep, dat
‘inburgeren’ meer behelst, dan ‘leren met
mes en vork te eten uitjouw neus’.n, die begreep, dat Buffelen, kankeren over die
Belanda’s, streng,
koppig, maar recht aardig. Zorgzaam, zoals alleen
een Indische vader dat kan zijn.
Zijn
vrouw, een zusje van mijn
moeder, ging boven alles, net als hun kinderen. Hij stond aan het roer
van een
groot solidair gezin, waar ieder elkaar liefheeft en steunt onder zijn
toeziend
en alziend oog. Hoe verschillend ook van karakter soms, over elk
broertje of
zusje werd en wordt nog steeds met liefde en respect gesproken. Daar
zag Max strikt
op toe,
eerst samen met zijn Wiesje, de laatste jaren stond hij daar alleen
voor. Want
er komt onherroepelijk een moment, dat je elkaar nodig hebt. Een gezellig Indisch
gezin, dat in Arnhem
terecht was gekomen en waar je saamhorigheid beleefde.
Wij
kwamen daar graag, ervaringen
uitwisselen opgedaan in dit verdomde kille Holland, waar wij in de loop
der
jaren van zijn gaan houden. Vooral veel lachen met elkaar daar in
Arnhem. Ik herinner
me Oom Max als kampioen in droge Indische humor. Dat herinner ik me nog
uit de
laatste jaren Indië en de eerste jaren Indonesië. Ook
al begreep ik toen niet
veel van zijn humor, ik voelde haarfijn aan dat je die nodig had in die
voor
onze ouders zo verwarrende periode.
Na
afloop van de plechtigheid, met zijn
muziek van o.a. Glenn Miller, gingen we met elkaar eten. Dat wilde Max
zo.
Samen eten, net als door de jaren heen, wanneer we op zondag in Arnhem
bij de
Bello’s aankeerden Wiesje kon koken hoor en zij was zo
goedlachs, leek erg veel
op mijn moeder. Net zo hardhorend, maar lachen, niet te kort.
Hoe
indrukwekkend het afscheid was,
zo gezellig was weer eens de gezamenlijke maaltijd.
Zag je elkaar vroeger vrijwel maandelijks, als je elkaar over en weer
opzocht,
nu gebeurt dit alleen nog maar tijdens bruiloften en
uitvaartplechtigheden. Dat
is aan een kant verdrietig. Daar ging een van de laatsten der
Indo-Europeanen.
Die op de valreep de erkenning kregen een bevolkingsgroep te zijn in
het
huidige Nederland. die het ook heel moeilijk heeft gehad.
Mosok, geloof je?
Glenn
Miller, ‘In do mood’, de
tranen schoten me in de ogen en ze bleven de verdere plechtigheid
komen. Verdriet
gaat immers altijd over, over iets wat niet meer terugkomt.
We namen afscheid van Max, op een haar na ook van zijn generatie
Indo-Europeanen,
recht van rug en met een overdosis aan verantwoordelijkheidsgevoel.
Voor
zichzelf en voor de familie.
Mogen
de nieuwe fakkeldragers dàt
vooral brandend houden. Dat en ook niet vergeten elkaar regelmatiger op
te zoeken
ja, met een bord lekker eten op je schoot. Misschien zijn wij daar al
te ver
voor in verschillende windrichtingen uitgezwermd, maar houd in ieder
geval
Indische ‘humor nyang kering lucu’ en goedlachsheid
in ere. Daar kom je een eind
mee.
Dat land van zal wel, dat
land van jammer
Het zal niet lang meer duren, voordat de laatste persoonlijke
ervaringen
van mensen, geboren of getogen in het toenmalige Indië met hen
in het graf zijn
verdwenen. Zand erover, zal wel, lekker belangrijk. Zelf kan ik mij
niet aan de
indruk onttrekken, dat veel van wat er over tempo doeloe in Nederland
op
schrift is verschenen fungeert als een vorm van gewetens sussen naar
aanleiding
van wat wij daar in enkele eeuwen allemaal hebben uitgevreten.
Althans daar is de meeste aandacht naar uitgegaan. Naar boeken, die
voorzichtig
en
omfloerst dikwijls aan de orde stellen, wat alleen al het
wetenschappelijk
polderracisme
uit die periode aan emoties heeft teweeg gebracht. Aan onmogelijke
liefde en
groot verdriet tussen twee volkeren. De bezetters en hun als zodanig
beschouwde
horigen. Het halfbloed kroop niettemin waar het niet gaan kon. En een
mens is
immers geneigd vooral zijn aardigste herinneringen te bewaren.
Ik heb het niet over Hella Haasse. Zij komt nog het meest integer over
van al
die belandah schrijvers en terecht kan zij beschouwd worden, als de
belangrijkste auteur, die zich ooit
aan Indië waagde. Met een bevroren gretigheid zette ik ergens
in de zestiger
jaren haar ‘Oeroeg’ op mijn eindexamen
literatuurlijst. Niet alleen omdat het
een snel leesbaar boekje is. Maar ook omdat ik vanuit mijn verlaten
gevoel hier
in dit koude kikkerlandje en mijn niet weg te branden hang naar
romantiek
getroffen werd door de aandoenlijk beschreven vriendschap tussen een
inlander en
een totok.
Maar neem nu de onlangs verschenen historische roman ‘Land
van zal’ van
Elizabeth Nobel, hier lees: Een rebelse dochter uit volbloed ( lees
Nederlandse
) ouders vertikt het om braaf in Holland te gaan studeren. Rechten in
Leiden
bijvoorbeeld. Neen, zij gaat er met zo’n inlander vandoor.
Wel heb ik ooit, in
dat land van ooit. Hij is weliswaar een zoon van een sultan, maar toch.
Het
krijgt wel wat weg van een regelrechte poging tot rasverminking. Wah,
zij heeft
beslist hinder van hechtingsproblematiek, dat wicht. Gegarandeerd.
Hella Haasse maakt een onderscheid tussen schrijvers die zich Indisch
mogen
noemen, zij die zich zo niet mogen noemen, auteurs die hun ervaringen
in de
Jappenkampen noteerden en
tenslotte de in Nederland geboren auteurs, kinderen van in
Indië geboren
ouders. Van deze laatste categorie ken ik eigenlijk alleen maar Marion
Bloem.
Dat komt waarschijnlijk omdat zij mooi kan vertellen, mooi schrijven en
ook
mooi zijn op haar tijd. Anderen die in die categorie thuishoren zijn in
Nederland
weinig bekend. Naar mijn idee, omdat zij vooral schrijven of zingen
voor en
over de ‘kleine bung’ zoals Marion het zo mooi kan
zeggen.
Dat heeft geresulteerd in een stapel grotendeels genegeerde boeken.
Over de
364.789 verdoolde bootvluchtelingen avant la lettre, uit de jaren
vijftig, die
zich minder kunnen bekommeren om eventuele gewetenswroeging van de
verindischte
en verdoolde totok.
Zulke wroeging, verhuld in een
quasi
historische romanvorm krijgt
gemakkelijker aandacht hier in Holland, dat land van
jammer. Dit neemt
niet weg, dat Elizabeth Nobel mooi kan vertellen, mooi kan schrijven en
mooi
kan zijn, op haar tijd. Haar boek is een juweeltje, zondermeer. Ik heb
het in
een adem uitgelezen. Terwijl het werkelijk een pil is van heb ik jou
daar. Net
als ‘Land van herkomst’ van E. du Perron. Elizabeth
hanteert, als al eerder,
een heerlijk ontspannen maar gedecideerde stijl, zodat je zonder
aarzelen
gelooft, dat
alles klopt. Zwart op wit.
“ Ik zal, eens zal ik, ik leef nog steeds niet in het nu,
maar in een ander
land….” Adoe,
tranen met tuiten werkelijk, ik. Is
het nou le lettre of la lettre? Het is in ieder geval
l’amour.
Setinga mati
Televisie
kijken is aan
mij niet besteed. Doodmoe word ik ervan, setinga mati. Moeheid bestaat
niet,
heeft een Groningse psycholoog onlangs vastgesteld. Moe zijn is een
gevoel, dat
wordt opgewekt door een gebrek aan motivatie. De man is erop
gepromoveerd door
uitgebreid een kijkje te nemen in de menselijke hersenen. Ik ben altijd
geneigd
geweest om psychologen met belangstelling voor hersenen per definitie
te
wantrouwen. Maar luister.
Tegenwoordig
heb ik
Garuda tv op mijn toestel. ‘The
first Indonesian tv channel in Europe’.
“Your
window to Indonesia, window to
your heritage”. Ik
geniet ervan,
kan er geen genoeg van krijgen. Niet alleen van de nadrukkelijk
dramatische
producties, als Brama Kumbara,
de Troon van Majapahit en Borobudur, een mix van authentiek Hollands
televisiedrama uit
de jaren zestig en hedendaagse soap. Er wordt vaak aandoenlijk in
geacteerd,
wat onherroepelijk op mijn lachspieren werkt. Van een betere kwaliteit
is een
soort volkstheater, dat doet denken aan het theater van de lach van een
paar
jaar geleden hier. De humor is alleen stukken leuker en er wordt
spontaner in
geacteerd door veelal jonge acteurs, die een heerlijk zelfbewustzijn
uitstralen. Die spontaniteit en dat zelfbewustzijn van de jongeren
verwarmen mijn
hart. Zo ben ik niet grootgebracht, denk ik dan met de nodige spijt.
Culinaire
uitstapjes
naar alle hoeken van de archipel, vaak visgerechten,
doen me elke herhaling weer het water in de
mond lopen. Veel herhalingen inderdaad , geef neks, ik ben immers dol
op
vis.Veel muziek natuurlijk, gepolijste kerontjong afgewisseld door
Indonesische
popmuziek. Tranen in mijn ogen, als ik Yos Sahetapy & Group zie
spelen met
op de achtergrond de baai van Ambon, waar ik als vierjarige nog zwemmen
leerde
van een kamponghond. Yos en de band zingen in hun beste Nederlands
‘Meisje
blijf op mij wachten’. Nangis ik, maar opeens niet meer moe.
Mozaik
Indonesia en
Archipelago zijn vanzelfsprekend mijn
favoriete programma’s met documentaires over ontelbare
bezienswaardige plekjes
in het eilandenrijk en waarin ons
een kijkje wordt gegund in de talloze musea en galleries, die Indonesia
blijkt
te hebben. Aandacht voor de traditionele dans en kunstnijverheden als,
batik,
zilver- en goudsmeden, houtsnijwerk, noem ze maar op.
‘Oasis’ neemt ons mee
naar de stad Jambi en verder
het oerwoud in naar de stammen van de ‘Anak dalam’.
In hun ‘Tweede Kamer’
overlegt men net zolang, tot iedereen het met elkaar eens is. De
cultuur van
die Anak dalam maakt deel uit van de Indonesische cultuur en ook een
beetje van
de mijne. Kan ik mij verbeelden gelegen in mijn luie stoel. Ook ik ben
geneigd
net zolang te onderhandelen, tot ieder het met me eens is.
Minder
gecharmeerd ben
ik van programma’s als ‘Design &
Decor’ of ‘Beauty & Style’ waarin
wij
kennismaken met de hedendaagse Indonesische binnenhuisarchitectuur en
haute
couture. Boeiend. Ik red het voorlopig wel met Hema en Dessertline of
adventure.
De meeste programma.s zijn gelukkig ondertiteld, weliswaar op een dikwijls
abominabele wijze, maar ik
verbeeld me, dat ik de hedendaagse Indonesische taal steeds beter ga
kennen.
Van de andere kant wordt mij duidelijk hoeveel woorden er overgebleven
zijn uit
het Nederlands. Als ik een middle class echtgenote in een kinderserie
het woord
‘precies’ hoor gebruiken. Motivasi, plester of
soortgelijke elemen elemen
belanda vliegen je om de oren.
Met
volle teugen geniet
ik ervan, Garuda tv. Op den duur zullen wij er voor onze dagelijkse
culturele
voeding helemaal op aangewezen zijn. Onze ouders zijn inmiddels al ver
in
de tachtig en weldra niet meer. Wij zullen erop aangewezen zijn, als de
pasar
pasar malam hier in Holland verder blijven verwateren tot die saaie
eenheidsworst nog net overgoten met een smakeloos pindasausje. Wij
zullen erop
aangewezen zijn, als ons onvolprezen magazine Archipel ophoudt te
bestaan. Ook
al setinga mati, begreep ik. Hoe dan ook, opeens ben ik niet meer moe
en sterk
gemotiveerd. Tot behouden van magazines als Archipel, bijvoorbeeld.
All Indo Family
Indo's
houden van zingen. Al bijna
kerstmis en daar beginnen ze al meteen te croonen. ‘Dreaming
of a white
Christmas’. Ik ken zo'n meisje, zij heet Barbara de la Motte. Adoe,
haar stem
seperti nightingale werkelijk. Wij onmoetten elkaar onlangs op de
tweede 'Adoe Adoe
party,
een dansfestijn dat klonk als een klok. Veel Indo’s daar,
dansen natuurlijk,
maar vooral eten. Hopeloos die lui. Barbara, si Babsje, stond daar haar
kerst
cd aan te prijzen. ‘Snow & Mistletoe.
Zij maakte die schijf in eigen beheer, want je komt hier in Holland
niet
gemakkelijk aan de bak, als Indische zangeres. Die lui van Idols en
bijvoorbeeld ook die van X-factor, zij zeggen gewoon aan haar
“Ja sorry, jou
kunnen we niet belachelijk maken, Barbara”. Klaar.
Die
'Adoe Adoe party' is een
initiatief van een stel jonge Indo's. Al voor de tweede keer, ik heb
nog niet
eerder van hun gehoord, man. Zij hebben tegenwoordig hun eigen feestje,
die
jongelui.
Met een koene DJ en diverse spetterende bands. Nonstop dancing and
eating nasi
rames.
Net als destijds in Indië tot in de vroege uurtjes. Het was daar behoorlijk
druk, hoor. In
Utrecht.
En iedereen was er ook, maar klaarblijkelijk was de Adoe Adoe party nog
geen
item voor
'Lekker weg in eigen land'. Jammer.
Ik heb
die Barbara al eens eerder
ontmoet, een paar weken geleden tijdens een live optreden
in IJsselstein met een heuse Big Band, 20 musici, The Zendmasters.
Compleet met
diverse saxen en schuiftrompetten, weet je. Dwarspluit
d’rbij. Adoe, muulijk
die letter –f, weetje. Af en toe ploppen mijn lippen. En ik
ben toch al zoveel
jaren in Hollan. Die Barbara zingt net zo gemakkelijk
'Stillege nach, heilige nach' in countrystyle als ook funky jazz,
motown, real soulmusic,
mata kici kutu burung en noem maar op. Dit spetterende optreden was ter
gelegenheid van de presentatie van de cd ‘You can
dance’.
Maar
ik vind mooi hoor, zo’n
dwarsfluit. Mooi om te horen en om te zien vooral. Ik verbeeld me
zo’n meisje
is bezig te knabbelen aan een grote sateh. Van links naar rechts en
door maar
heen en weer. Ze eet haar vingers erbij op, lijkt wel. Wadoe, dat is
pas echt
een wadoe wadoe party. Enfin.
zingen blijkt gezond te zijn voor ons immuunsysteem, want het maakt een
antistresshormoon
in ons lijf aan. Dat is nu wetenschappelijk bewezen, hoor ik zojuist
over de
radio, terwijl ik deze column eruit probeer te kloppen. Zingen gezond?
Jah
Illah, wij Indo’s weten allang immers.
Mijn
zoon Micha, hij kent die
Barbara zo'n beetje, is dol enthousiast over haar. “Wat een
stem!”
roept hij uit, “Met haar kun je maar beter geen ruzie
krijgen”. Hij is een beetje
dweepziek
die jongen, toch heeft hij gelijk deze keer. Hij beweert ook, dat zij
lekker
kan koken. Zwartzuur
van eend, Sambalan taotjo, ook gezond trouwens voor je immuunsysteem.
Indo’s
houden van zingen. Liedjes
van heimwee en verlangen, verlangen naar geborgenheid.
Als ik die lui zo zag op die Adoe Adoe party, ik moest onmiddellijk aan
Marion
Bloem denken
met haar jongste film. Heb je al gezien? Ga dan kijken. Want wat je
daar zag, op
dat dansfestijn, oud en jong gezellig bij elkaar, was gegarandeerd 'All
Indo
Family'. Ik let blijkbaar af en toe niet
zo erg op de laatste tijd, maar er is meer te doen in Indoland dan door
maar
Pasar malam of
Masoek sadja.
Via vijftig
In de vakantie heb je geen agenda nodig, denk je. 6 Augustus, Tamara
wordt dertig. Ze geeft
een geweldig tuinfeest. Met sateh en
rijstevlaai. Moderne Indo, maar goeie vent zij. Moeder van mijn
kleinkinderen. 14 Augustus, Via wordt vijftig. Zij viert het met een
denderende fuif op de 21e .
In Langerak bij Doetinchem, of all places. De dag ervoor word ik een
jaar ouder, dan Mama
ooit geworden is. Ik kan
dit moeilijk vieren en beperk het tot een paar gebakjes voor Menno,
Lars en Odile
en 's avonds een rondje in
de salon van het Indisch Netwerk.
15 Augustus, wij Indo's herdenken de capitulatie van Japan. Voor het
eerst wordt er officieel gevlagd.
Na 54 jaar. Jam karet werkelijk. Twee
dagen later vieren ze op de Indonesische ambassade het eind van
hun
360-jarige oorlog. Op weg naar Via's feesje vraag ik me op een
onbewaakt ogenblik af, wanneer wij
eigenlijk zijn opgehouden het einde
van de 80-jarige oorlog te vieren of te herdenken. En door wie
eigenlijk
de Bersiap is uitgelokt. Maar eenmaal in Doetinchem word ik
al snel verzwolgen door Via's feesje. De levende muziek wordt verzorgd
door Wally's Big Band.
Hij is mijn neef, hoor. Uit Limburg. Bijna
iedereen is er. Als niet, dan ziek, al overleden of anderszins
dwingend
verhinderd. Mijn zusje Josta is er natuurlijk, altèt. En
Vonny
met haar gang. De oudere generatie
is merkbaar in de minderheid. Tante
Dik slaat tegenwoordig de feestjes tot haar groot verdriet maar over.
Zij wil anderen niet tot last zijn. Zij lijkt wel Indisch, mijn tante.
Oom Joop, dik zeventig, jivet nog
als de beste. Maar niet alleen hij. De jongere generaties, groot
gebracht
met deze Indische feestjes,
jiven net soepel en sierlijk. Een Indisch
feestje is een feestje met Indo's. Tjampoer adoek tegenwoordig,
dat
wel. Beetje aangepast, sateh met rijstevlaai, Bengawan solo en Frans
Bauer. Adoe, je houdt je hart vast. Zodadelijk geven ze nog polonaise:
’Heus, heus, heus, er hangt een oepil uit je neus’.
Daar komt gelukkig, wie weet voor de allerlaatste keer, de 'Indische
frituur' voorbij.
Door Tante Louise
gemaakt, zij is ook al bijna tachtig! Met hulp van oom Max. Wie van de
jonkies
neemt tegenwoordig nog de moeite in de keuken te gaan staan
voor frituur.
In haar dankwoord onderstreept Via, dat zij deze mijlpaal niet zonder
slag of stoot heeft bereikt.
En zo is het ook. Als er iets te vieren
is, hebben de tranen eerst rijkelijk gevloeid. Of we nou op
de
dansvloer in Langerak staan, of bij het Indisch monument. Maar als er
iets te vieren is, vier het
dan ook,
wil ik hebben. En dat hebben wij gedaan. In Langerak.
Nasi kidjoe
Over Oostenrijk gesproken, ik heb al eens eerder met jelui gesproken
over Indo's op skivakantie.
Maar kun je als Indo
eigenlijk wel op skivakantie naar
Oostenrijk? Natierlijk ken wel! We laten si Bea toch niet voor paal
staan daar!. Wij Indo’s zijn onvoorwaardelijk koningsgezind,
wij.
Al van vroeger. Wij vragen niet eens eskuus van haar. Waarvoor?
Ja, waarvoor eigenlijk? Sudah, laat maar, vraag maar niet. Dus ik word
weer door mijn oudste dochter en haar gang mee gezwaaid naar Hipach.
Doet mij een beetje denken aan de Puntjak. Met bergpaardjes, weet je?
Ister veel sneeuw daar, lawineus veel gewoonweg. En weet je wat ister
ook veel daar? Rijst. Je wil me niet geloven, echt waar.
Gotstrafvadermoederdood, nah. Ze eten daar vaak rijst in Oostenrijk.
Alleen, zoals de nasi goreng heet daar 'Gebratener
gemüsereis'.
Smaakt mij niet, weet je. Zodra we weer thuis zijn, rij ik regelrecht
naar 'Toko Betawi'. Ken me niks schelen. Mijn tjoe tjoe intussen, zij
kunnen maar niet genoeg krijgen van door maar skieën. Sret,
srot.
Alleen de jongste, zij is nog steeds een beetje bang voor sneeuw,
logisch. En ik? Al na een paar dagen denk ik bij mezelf:"Niet ach, je
kunt als Indo beter niet gaan naar Oostenrijk ". Hun nasi kuning, nama
nja 'Safran Ry Soto', smaakt werkelijk naar niks. Smaakt zelfs niet
eens naar soto. Wat wil je ook, ze gooien er kaas doorheen. Tolol die
lui. Hopeloos.
Jeff 50
Ria's partner, Indo hij, Inogje om precies te zijn, wordt ook al 50.
Nog juist daarginds geboren, als ik kan rekenen. Het lijkt Ria een
aardige verrassing voor Jeff, als het 'Tempo Doelloos' circus
zijn
feest komt opluisteren. Wij kennen elkaar niet, maar ik vind de
invitatie zo apart, dat ik de
reis
naar Nijmegen ervoor over heb. Als
ik daar maar geen spijt van krijg.
De verhouding Belanda - Indo
op het feest is ongeveer drie op 1. Maar
er is volop Indisch eten en snoeperij. Er zou zelfs
een
krontjongensemble komen, dat helaas op het laatste moment, om
onduidelijke redenen, heeft afgezegd.
Dat komt wel vaker voor bij
Indo's, verzucht Ria. Wijsneus. Te erreg zij. Ik voel me niet eens
beledigd en je weet Indo's zijn nogal snel op hun teentjes getrapt.
Veel instemmend gemompel om mij heen, maar ook vanuit mijn binnenste.
Niet eens zo heel diep in mijn hart. Later op de avond hoor ik mijzelf
geduldig uitleggen,
dat Indo's niet zozeer onduidelijk zijn, als wel overdreven beleefd.
Verlegen immers, om voor de eer te bedanken, als je uitgenodigd bent?
Dan verzin je maar wat, toch? Of doen Limburgers dat net zo? Nee, dan
de Friezen, breek me daar de bek alsjeblieft niet over open.
Er komen regelmatig gasten bij mijn tafel met malligheden snuffelen. De
bekende T-shirts, tubrukmokken, mousepads, mijn boeken natuurlijk. Die
raak je aan de straatstenen nog niet kwijt. En botol cebok, die men
sinds kort bij Tempo Doelloos eventueel kan leasen. Murah, betoel. Je
betaalt een zeker bedrag per jaar en als stuk je krijgt een nieuwe. Wat
wil je nog meer? Maar je raakt ze nog niet aan de straatstenen kwijt,
tegenwoordig. Hopeloos.
Tussen neus en lippen door leer ik daar nog het een en ander op het
feest. Zo'n botol cebok bijvoorbeeld gebruik je, als je je billen na
een grote boodschap op de Arabische manier pleegt te wassen.
Hoor ik
een Indo aan de man naast hem uitleggen. Wis je al? Zal wel, jij weet
alles immers al.
Mijn kleinkinderen maken hun billen schoon op
de Utrechtse Heuvelrug manier. Gewoon met vochtige tissue. Schattig
voorbeeld van atypische Indisch Nederlandse cultuur kruisbestuiving,
toch? Volgens mij.
In plaats van de krontjong muziek moeten we ons op het feest maar
behelpen
met een paar cd-tjes om de tropische sferen tussen loempia en risolles
overeind te houden.
Maar
Jeff, verdienstelijk gitarist, heeft zijn eigen band ook te gast en dat
wordt een prettige muzikale verrassing. Ik herken nummers van de
Stones, Fleetwood Mac.. maar ook van Natalie Umbruglia: ....what is
goin' on?
Noting but I'm thorned.... Dochter Roos, zo'n juweel van een
melange tussen blank en bruin,
een poepie werkelijk, zorgt voor een
volgende muzikale verrassing.
Zij speelt klarinet voor haar vader,
Bengawan Solo. Mijn hart smelt gewoonweg. Bengawan Solo
op klarinet,
wel heb ik ooit... Als dat geen cultuurkruisbestuiving is, dan weet ik
het niet meer.
De jongste generatie Indo's is zichzelf niet langer
ontrouw. Ik zeg jou toch al duizend maal:
Indoos bewaard gegarandeerd
vers tot 3007 na Chr.
Fly to Java by KNILM
Waaraan herken je toch een Indo? Wat een vraag. Gampang toch?
Neen, niet zo gemakkelijk.
Dat bedenk ik in de trein, van Obdam naar Leusden. De gratis verspreide
treinkrant laat weten, dat een zekere Haider, hij is van Oostenrijk,
zich bedient van homo codes.
Op de omslag van de Moesson staat een affiche van
de KNILM afgebeeld. Even verderop zit een heel
ander plaatje. Zogenaamd te lezen in
de nieuwste 'Over en uit de Gordel van Smaragd'.
Dat ze geen kou
vat, zo luchtig gekleed. Om niet ongewild gestoord te worden door
passagiers,
die om een praatje
verlegen zitten, zet ik mijn walkman op. Aan de overkant van het pad
speelt mijn kleinzoon met zijn pas
verworven 'Railrunner' kaartspel. Het is ‘Crocus’,
de carnavalsvakantie, vernoemd naar de orchidee van de lage landen.
Schuins achter mij zit beslist een
Indo.
Hoe weet je dat, nou? Ik weet. Als hij uitgespeeld is, komt Lars
bij me zitten.
"Opa waar luister je naar?" Ik laat het hem horen.
"Dat is muziek uit Indoneusi", zegt hij zelfverzekerd. De oude Heer
stapt op hetzelfde station uit, als wij. Hij aait Lars liefkozend over
zijn bolletje en zegt: "Jouw opa, hij eet vanavond sambel goreng". Ik
weet niet waar ik kijken moet gewoonweg, maar grijns
vriendelijk terug. "Sambel goreng kentang", verbeter ik hem zogenaamd.
Zogenaamd, want ik weet zeker, dat we 'Spaghetti salem senipper' te
eten krijgen bij mijn dochter.
-"Wie is die meneer, opa?" Met zijn mooie tjebok handje wijst Lars
naar de Indo, die ons voorgaat op de roltrap. -"Je mag niet wijzen
Lars, naar de mensen".
-"I am mister Sambel Goreng", stelt hij zich voor. Grapjas. Hij denkt
zeker, dat die jongen van amper vijf Engels verstaat. "Loop naar de
maan, kerel", zeg ik niet, maar ik denk het. Volgens mij is dat beslist
een typisch Indische uitdrukking, althans geregeld gebezigd door mijn
Indische moeder. Net als "Ga toch lekker
op het dak zitten, jij".
In Holland zeg je immers:"Loop naar de pomp, bongol!". "Loop naar de
maan, joh", dolt Mamma goedgemutst, zij heeft altijd iets nuttigs te
doen in de keuken. Aan de wand hangt ingelijst
een affiche: 'Fly to
Java by KNILM '.
"Fly me to the moon", neuriet ze ondertussen met Frank Sinatra mee, die
storingvrij via een kastje van de Draadomroep in de keuken te horen is.
Met haar stevige Bataviaase
heupen
probeert zij stijldanspasjes uit,
terwijl ze een kruidig mengsel in de oelekan fijn wrijft.
Ik ruik het
al, dat wordt beslist sambal goreng kentang. Mama heeft last van
vliegangst,
moet je weten. Daarom laat ze mij zeker telkens lopen, naar
de maan.
- "Al klaar Mam, wat ben je daar aan het maken?"
-"Loop naar de pomp, jij.
Begin liever aan je huiswerk!".
-"Ja, keel hem! Knil him!" giert het door mijn kop. Ik krijg zodadelijk
met de houten pollepel. Adoe, werkelijk die moeder van mij. Always
pushing, always poesing. Poekoel teroes, zij.
Die mister 'Sambal goreng' bedient zich van een soort code Indo Indo,
om zich kenbaar te maken, voor alle zekerheid. Dat bedenk ik in de bus
naar Leusden.
Daar stopt geen trein immers, in Leusden. Voorzover ik weet, tenminste.
Alsof ik niet al meteen dacht:
"Adoe, Indo deze". En hij ook, ken niet anders. Mijn opa is niet van
Oostenrijk, hoor. Bestaat niet.
Mosoh, Piette van Oostenrijk. Bestaat niet! Hij is van Paree, hij is
van de onderneming. Ja, van de HVA. Als je de naam noemt, ze weten.
Hoofdwerktuigkundige, immers. Hij kan goed biljarten, die fen. Hij is
door maar in de soos te vinden. Ik ben dol op spaghetti zalmsnipper. Ze
weet die Tamara, goeie fen zij immers? Nog lekkerder is haar macaroni
gorgonzola. Ja, wij Indo's van tegenwoordig eten al een aardig stukje
over de grens. Als maar lekker en als maar eten. Weet je wat trouwens
ook lekker is?
Brongkos daging. Wie kan dat nog maken, tegenwoordig?
Wally 50
Kan ik er wat aan doen? Kan ik het helpen, dat er steeds mensen om mij
heen die leeftijd bereiken en dat zij dat elk op hun eigen manier
vieren? Dat kan ik niet helpen, niks aan doen. En hij woont zo ver,
weet je, die Wally Brouwer. Hij is mijn neef, ja dezelfde als op het
feest van Via. Je denkt toch niet, dat ik twee neven Wally Brouwer heb,
waar zit jouw verstand? Neen, daar is er maar eentje van, Wally
Brouwer. De reis gaat deze keer helemaal naar Susteren. Waar ligt dat
in hemelsnaam? In de buurt van Roosteren. Je wil niet geloven,betoel.
Dan maar
de routebeschrijving erbij:… Na Eindhoven volgt u de weg tot
aan afslag 46, Roosteren, Susteren. Boven aan de afslag slaat men links
af, ik snap. Deze weg blijve men volgen
totdat men bij
de stoplichten aankomt, okay. Doch men blijft rechtdoor
rijden. Okay. Jah illah, stoplicht is rood. Gelukkig neks gebeurd.
-"Let dan ook op!"
Mijn broertje aan het stuur. Hopeloos, die fen. Begint hij nog tegen me
te foeteren.
-"Jij zegt zelf doorrijden, tegen mij!!"
-"Ja hoor Ool, let maar op de weg jij. Straks belanden we
in de
sloot hier in Susteren, of in Roosteren.
Luister, … “meteen na het tweede kruispunt
naar
links een
parkeerplaats op en daar parkeert u.”
-"Waar anders!" Hij blijft maar mopperen,
ik zeg maar niks.
Waarom ik over zo'n feestje schrijf? Luister en lees. Over Indo's wordt
om de haverklap gezegd, dat ze alleen maar kunnen praten over eten.
Fout! Ze kunnen
niet alleen praten over eten, ze kunnen ook eten.
Altijd lekker eten bij die lui.
Deze keer bij Wally de heerlijkste
soorten vis en vooral heel veel muziek. En daar wil ik
het nu over
hebben. Muziek.
Indo's geven niet alleen hun dochters prachtige namen,
ze zijn vaak ongelooflijk muzikaal, geloof me vrij. Wij kennen allemaal
nog de glorietijden van Indorock.
Al gewees, maar binnenskamers vaak is het doodgewoon doorgegaan. Ik
schepte al eerder op over Wally, vooral over zijn lekkere stem, adoe,
kalau Bing Crosby, maar dan anders. Mooier. En ik repte al
eerder
over een zekere Jeff uit Nijmegen met zijn band. Over zijn dochter
Roos, dat poepie, zij speelde 'Bengawan solo' op klarinet, voor haar
pappie. Hier in Susteren worden we ongemerkt ondergedompeld in een
eindeloze golf eerste klas Indische muzikaliteit. In een wervelende
show. Die Wally heeft zich omringd met een stelletje onverbeterlijke,
muzikale vrienden, van heb ik jou daar. Dat kan in de eerste plaats
alleen maar, als je zelf wat in je mars hebt op dat gebied. Verder moet
je aardig zijn. Nou, ze houden allemaal van hem. De een zingt
"…that you're my hero"" van Bette Middler. De volgende zingt
"You're the best, better than the rest" van si Tina.
Heus, ik ben niet gewend om over iemand anders op te scheppen, dan over
mezelf.
De ene onherroepelijke ster volgt op de andere.
Eerst al de band, geweldig die lui. Pop door de eeuwen heen, van 'Tell
me quand
quando, quando'
tot 'Freedom' van Aretha. Veel county natierlijk, Blue
Bayou, rock'n roll, reggae, Everything gonna
be allright.. En alsof de
duvel ermee speelt …What's goin' on? Nothing, but I am
thorned…" van Nathalie U. Oorspronkelijk een Indische tekst,
deze, dat kan niet anders.
Maar dan Wally's dochters. Ze hebben niet alleen hemelse namen en dito
voorkomens. Ze zingen al net zoals hun vader.
Eerst met hun
tweeën
het nummer 'Dad' van Kate's Choice. Adoe, ik kreeg tranen in mijn bier.
Ze zingen het lied voor hun vader, recht uit het hart. Daar kan ik over
oordelen, ben zelf vader. Chalice zingt dan een nummer van Ilse. "Voor
jou Pap, in de hoop, dat ik net zo goed wordt als jij." Even later
Priscilla weer, met dat prachtige "…do you love Mozart"
en…En!!!"….will that make my brown eyes blue?"
Alweer een
andere oorspronkelijk Indische songtekst.
Mijn jongste, Pablo, op dat moment ondergedompeld in langdurig
liefdesverdriet, zegt onlangs tegen me: "Als ik dan
naar Love radio
luister, weet je Pap, word ik zó weemoedig!.
Het is allemaal wáár, wat ze zingen". Ik kan niet
anders
dan instemmende bromgeluiden laten horen. Verdriet gaat altijd over
iets wat niet meer terugkomt, immers?
Hier op het feest worden we ondergedompeld in louter liefde, die langs
zoete kelen rechtstreeks in onze oren wordt gegoten.
De apotheose vindt
plaats met 'You'll never walk alone' (Rabo blues) gevolgd door het
aller allerlaatste nummer 'Endless love'' . Minder muzikale Indo's
kunnen daarna slechts gescandeerd uitroepen: "We want
semor!!…
We want semor!!!" Rakus, die lui, werkelijk.
Afkortingen
Per trein op weg naar Den Haag. In de trein val ik meestal in slaap
endroom dan vervelend.
In vicieuze cirkels. Ik wil naar het ministerievan OC&W. Om een
lans te breken
voorde Indische cultuur. Volgens zeggen gaat de staatssecretaris de
laatste tijd met de botte bijl te
werk.
Ik zit niet in de kunst, ik zit nog midden in de schuldensaneringvan
een Indisch verleden.
Via mijn oorradio hoor ik,
dat de Indische Gemeenschap in totaal 385 miljoen krijgt, als
gebaar
van rechtsherstel. Er staan nog 37 files. Naast mij zit een jong
meisje, mooi is zij.
Door maar kijk ik zogenaamd naar buiten. Ik
verbeeld me,
dat ze van wie weet Portugese komaf is.
In mijn hart begint het
teneurieën: April in Portugal. Tot ze gaat lezen in een
bundel
'Bersama, samen'. Adoe, Indo deze.
Derde generatie, nama nja Bernadien. Midden op het verder lege
Malieveld een stil figuur. Op zo'n tragisch
regisseursstoeltje, weet je? Pajong al boven haar hoofd, laptop op
haarschoot.
Haar zakken vol met tissues.
Ellen Derks zit daar, een beetje te dromen van een witte kerst.
Inplaats van de PMB 2001 voor te bereiden. Laatste bolwerk van Indische
cultuur. Om maar te zwijgen over het ICC te Zoetermeer. Daar
organiseren ze regelmatig dansmiddagen meteen Portugees orkesje.
Verdriet gaat bijna altijd over. Verdriet gaat bijna altijd over iets,
dat niet meer terugkomt. Tegenwoordig ben ik weliswaar uitgerust met
een handpalmcomputer, een wapmobieltje en eenoorradiootje van KPN, ik
heb nog steeds een hoofdrekenmachientje bij me. Dus ik al: 385 min 35,
gedeeld door 101.367, drie onthouwen...
Kurang, voor mijn vloerverwarming. Borst is zeker vergeten, dat we als
bootvluchteling in 1950 uiterst koel zijn ontvangen. Dermate koel,
datwe spontaan last kregen van wintertenen. Trouwens Pie d'Anglois is
een heerlijk kaasje, maar daarover een volgende keer. Die wintertenen
zitten waarschijnlijk tussen mijn oren, weet ik sinds kort. Beslist
geen pretje.
De meeste post lezen bewindslieden niet zelf. Daar hebben zijambtenaren
voor.
Een deel echter opent
van der Ploeg zelf. Met zo'n brievenopener in
de vorm van een kris. Cadeau gekregen van Ellen. Dat doet hij nog voor
hij zijn regenjas heeft uitgedaan. Alweer geen fanmail. Er is een brief
van een clubje Twentse Indo's. Beleefd vragen zij
een beetje aandacht
voor de 'Indische cultuur'.
Er is verder een aanvraag voor subsidie van
toneelgroep 'Tempo Doelloos Casual ArtProductions', TDCAP. En eentje
van Het Indisch Netwerk.
"Wat is in hemelsnaam Indische Cultuur, apa 'tu Indische
cultuur?",vraagt si Ploeg zich af en zijn secretaresse Sonja vraagt hij
koffie te zetten. Bij de brief uit Hengelo zit een cd bijgesloten
vaneen zekere Wouter Muller. Never heard of. In afwachting van koffie
legt Ploeg de vraag voor aan Winnie Sorgdrager. Aan haar kun je zoiets
welvragen,
immers?
"By the way Winnie, wat is volgens jou Indische cultuur?"
Even is 't stil aan de andere kant.
"That's the question", antwoordt ze dan ontwijkend,
"that'sstill the question"
In stede van na te denken over de invulling van de komende PMB, zit die
Ellen midden op het Malieveld een beetje te surfen op internet.
Verveeld staart ze
een tijdje naar 'Indo Wordart of the Lowlands', snel door naar het
'Indisch Informatiepunt' en besluit dan rigoureus Yvonne Keuls maar
weer te vragen voor
de komende Pasar. Een stand ter beschikking te
stellen aan het IP en een aan het IH. Het begint te regenen.
Zijn secretaresse laat me een nummertje trekken. Aangezien ik de
eersteben, lijkt me dat tamelijk overbodig. Als Indo denk je dan:
"Sudah, laat maar". Zij gaat mij voor, halfhoge hakjes, paardenstaart.
Aan zijn smoel ziet si Sonja, dat zij de koffie vergeten is. Foutje.
"Tubruk or not tubruk?"
"That’s the question", mompelt de staatssecretaris met in
zijn
hand een botte bijl.
Zij is Indisch, Sonja. Een Indische secretaresse denkt overal aan. Als
zij mij geen nummertje laat trekken, weet nummero toewee immers niet,
dat hij nummero toewee is? Gampang. Den Haag CS is het eindpunt vanuit
Obdam. Gelukkig maar. Een aardige conductrice helpt me uit de droom.
De
laatste restanten, na ruim drie eeuwen kolonisatie van dat prachtig
eilandenrijk, die gordel van smaragd, zijn de Indische Nederlanders.
Een vertrouwde minderheid.
Nederlanders, maar dan anders. Je hebt er van 43%, 6 en een half
prosèn, fifty fifty, je hebt erbij die vrijwel volbloed
lijken.
Indische Nederlanders. Indo's in Holland.
Circa 600.000 Indo's wonen nu verspreid over Nederland. Hier en daar,
maar overal. Van Enschedé tot in Obdam. Den Haag ook een
paar,
Coevorden, noem maar op. Nadat zij aanvankelijk uiterst koel zijn
ontvangen. Heb ik mij laten vertellen, door si Koki, onze minister
president toentertijd. Eskuus! Eskuus!! Hij laat mij de hartelijke
excuses overbrengen. Wie -a zegt moet ook –b durven zeggen,
je
weet. Vandaar, dat er naast welgemeende excuses nu ook een paar
slordige miljoenen beschikbaar worden gesteld, om dat leed wat te
verzachten. Ik heb uitgerekend, dat zijn wel één
miljoen
drie honderd veertig duizend en één porties sateh
kambing. Je wil niet geloven. Wie -a zegt moet ook -b kunnen zeggen,
jawel. Een Chinees,
zo heb ik mij laten vertellen, kan de letter r (
-R) niet uitspreken.
Een Chinese weerman zegt bijvoorbeeld "Hiel en daal een buil". Alsof
hij net van zijn fiets is gevallen. Sterker nog en ook dat heb ik me
laten
vertellen: Als wij een -r zeggen, hoort een Chinees in plaats daarvan
een -l. Tolol werkelijk, die lui. Logisch, dat zo'n Chinees kindje
nooit de -r leert zeggen. Kasian, hoor je zo'n kind al vragen naar de
cd van Woutel Murrel? Wouter Muller, ken je hem? Hij is van
Enschedé. Ergens tussen Duitsland en de duinen, ergens
tussen
Assen en Maastricht. Die is me er ook eentje, si Woutje.
Altètt
soesah, die fen. Al van vroeger.
"Wat is een Indo?" vraagt hij zich af in een van zijn liedjes. Hoe
toch? Zelfs mijn ouwe schoen weet, wat een Indo is.Een Indo? Een Indo
wil op tijd zijn kopi tubruk, houdt niet van gezwets. Hij houdt wel van
mooie meisjes en van mooi weer. Spelen. Hij is dol op sateh kambing en
haat te laatkomen. Hij haat ook regelmatig naar de wintersport
tegenwoordig. Ongelogen. Hij wil sparen,
maar heefthelaas een hat in zijn chan. Stemt meerendeels VVD. Althans,
dat heb ik me laten vertellen. Door mijn ouwe schoen. Tijdens een
telefonisch gesprek met een volbloed totokse uit Zwolle, over pantoens,
Tjalie, Conimex en de nooit uitbetaalde salarissen gedurende Japans
krijgsgevangenschap, vraagt de mevrouw aan de andere
kant: - "U bent half Indonesisch, is het niet?"
- ( even is het stil )"Niet ach, meprouw!
Mijn opa is een Belg, mijn oma hij speelt gitaar.
" Zo heb ik het,
eerlijk gezegd, niet eerder bekeken, half Indonesisch. Is de Indo eerst
vooral van Europese komaf, Indo Europeaan. Ongemerkt is hij misschien
wel geëvolueerd. Eerst tot "Indo blauw, ik hou van jou" en nog
verder tot Pokimon "Euro Indonesia". Hij gaat tegenwoordig tenminste
eens in de twee jaar terug, heeft er een lief ding voor over, als hij
na de vut een permit voor onbepaalde tijd kan bemachtigen. Op de pasar
item,
black market, apa nam 'tu? Soewarte marekt. Hij droomt er misschien
stiekem van daar ooit een huisje te kunnen kopen, om uiteindelijk te
sterven
in zijn land van herkomst..... Even terug naar de cd van Wouter "Hier
en
daar".
Drie woorden, hier en daar, maar in één woord:
"Heweldeh!" In ruim 12, om precies te zijn 13 (dertien?) ware
chansons,beschrijft hij op vaak poëtische wijze en op
zo’n
bijna on-Indische Indische manier, hoe wij Indo's als een apart soort
pokémons langzaam evolueren van "botol cebok zuipers naar
wc-papier vreters".
Onderwijl swingt zijn muziek af en toe de pan uit. Onvervalste flarden
pure Indorock. Ondefinieerbare emoties spatten uit mijn dak.
"..ikkom, ik kom, ik kom eraan, want daar kom ik vandaan!
Met zo'n achtergrondkoortje, weet je? Adoeh! Hartkloppingen gewoonweg.
Als je niet oppast, krijg je het heen en weer. Zijn tour de chant is
geen tearjerker (hoe spreekt een Chinees dit in hemelsnaam uit. Tjobak
probeer, ken niet. Op z'n Fries "Ken net".
Of "Bestaat net". Volgens
Micha: "Als ken ken,
als ken niet OPDONDREN.)
Toch krijg ik warempel natte ogen, als ik naar "Hier en daar" luister.
Op de gekste en meest onverwachte momenten. Dat kan niet anders
betekenen,
dan dat Muller met dit juweeltje van een cd
de juiste snaren weet te beroeren. Snaren van verlangen, snaren ook van
verdriet,
regelrechte heimwee.
Naar daar en naar hier. Wanneer toch, vinden wij Indo's onze eigen
Indische identiteit vooreens en altijd terug? Een identiteit, die
verder reikt, dan verzot zijn op lekker makan makan. Ik vrees, dat si
Wouter nog een paar van zulke
pracht cd's moet vastknopen aan deze.
"Komt tijd, komt laat", luidt een oud Chinees gezegde en als Indo ben
ik het daar volmondig mee eens. Mond vol met nog een hap sambalan
taotjo. Schandalig, maar pedis. Zalig gewoonweg. Zoals mijn Daddy die
altijd maakte. Wanneer toch
vinden wij onze eigen identiteit terug?
Zo nu en dan, van tettottettot, kun je op het Binnenhof zo’n
groepje Indische demonstranten voorbij zien sjokken.
"We want semor! We want semor!" Vreetzame demonstratie weliswaar, maar
laten ze liever demonstreren voor gelijke gerechten van de mens, wil ik
hebben."Liberté! Egalité! Fraternité!
Et toewee
toesoek
saté!!"
Wanneer toch, vinden wij onze eigen identiteit? Adoe, jamkaret,
werkelijk. Wouter Muller intussen, ik ben trots op hem.
Hij is mijn broer, voor altet.
7 December is de dag
We zullen het hier niet hebben over de dag, dat een vreemde Westerling
in Indië orde op zaken zou stellen.
Al geweest, immers? 1952, De familie Piette heeft officieel nog een
paar maanden Europees verlof voor de boeg, zonder de bedoeling te
hebben naar Indonesië terug te gaan. In de 1e klas van het
R.K.Lyceum te Hilversum krijgen wij onze opstellen terug. Ik heb een 9.
Mijn eerste opstel in Holland. Baf, daar zal Mamaatje trots op zijn.
Hopelijk helpt het een beetje haar boosheid vergeten. Boos, dat Papa en
ik ( 10 jaar pas ) hebben besloten
in Holland te blijven. Minpuntje is, dat meneer de Ridder opmerkt, dat
ik mij wel erg uitgebreid heb laten inspireren door ......... Tjalie
Robinson. Mijn Indische jongenshart slaat een paar maal over. Waarvoor
toch?
Het hoge cijfer geeft immers aan, dat er voldoende persoonlijks in het
opstel zit. 'In Rotterdam zie ik een Hollander de straat vegen, zie jij
dat ook Pap?'. Maar dat die Gooise leraar Tjalie kent! Geweldig, man.
Ik glim gewoonweg.
Ik ben er al zo trots op, dat ik zo jong de 'Piekerans van een
straatslijper' vrijwel uit mijn hoofd ken.
's Nachts stiekem uit de boekenkast van oom Arie en tante Ietje
geroofd, als ik niet kan slapen, omdat ik ergens logeer. 1993, Ik wil
beslist het eerste exemplaar van 'Tempo Doelloos' aanbieden aan Lillian
Ducelle. Zij komt
er helemaal voor naar Amsterdam. Aan haar oordeel over mijn schrijfsels
ben ik veel waarde gaan hechten, en dat is al die jaren zo gebleven. Al
schrik ik nog regelmatig 's nachts wakker, als ik haar hoor zeggen, dat
mijn poëzie nauwelijks poëzie genoemd kan worden.
1999,
Lillian is jarig. Tachtig, van harte lieverd, en nog jaren in
gezondheid. Je kookt zeker lekker, vandaag.
Wat maak je?
Hoopjes ongerief
Eens in de zoveel tijd vragen ze me om iets te doen voor de mensen.
Sprookjes vertellen bijvoorbeeld, daar ben ik erreg goed in, volgens
mijn vader tenminste. Een paar nieuwe gedichten voordragen, een
verhaaltje uit mijn duim zuigen, geeft niet wat. Bij het WIN, of bij de
INOG. Als maar leuk. En dat nu vind ik feitelijk doodzonde. Vervelend
zijn ze weet je, die Indo's? Vooral die Inogjes. Altijd maar lachen
hier, lachen daar. Ik wil hebben, bespreek ook eens, af en toe, hoeft
niet elke keer, een serieus onderwerp. Al heb je het maar over je
zusters moeilijke jeugd, over haar blinde darmen, over jouw Alfa Romeo
Giulia super, al mogok op de snelweg naar Goeree Overflakee, of over
koerang belandja-geld in C1000. Over 'Hoe toch tante, ik heb geen
groene vingers, weet je. Al mijn begonia's binnen de kortste keren
totaly antjoer. Lijk wel Italiaanse sajoer lodeh, deze.' Misschien wel
een beetje te lang dat onderwerp, of ken wel? Maar ik laat tenminste
zien. Hoopjes onderwerpen. Noem maar op. Dus deed ik de laatste keer
maar 'Het Grootsch Indisch Dictee'. Ik denk, ik zal hun leren. Help te
geloven, alweer lachen de hele bende daar. Intussen hun dictee vol met
Indische fouten. Hoopjes fouten.Geef neks, als maar geef geluit, bij
die lui.
Ik erger me dood, werkelijk. Daarna nog de 'Tempo Doelloos Quiz'
gedaan. En ik moet eerlijk toegeven. Indo's zijn hartstikke goed in
vaderloze geschiedenis. Ik verlies van hun. Alleen, alweer dat lachen.
Om niks. Ik vraag me op een gegeven moment zelfs af 'Lachen ze mij uit,
of hoe?' Nou ja, ik vertrek geen spier, hou me maar groot. - 'Dames en
heren, mag ik een beetje aandacht?' Tegelijk commentaar. - 'Adoe, zo
zielig, die Roy. Heeft aandacht nodig. Kom even op mijn schoot zitten.'
Ik weet gewoon niet waar ik kijken moet. En was het nou maar een dame,
die dat zei. Neen. Luister. Paree ligt 10 palen ten Oosten van Kediri,
je weet. Vraag: 'Hoelang is een paal?'Zegt zo'n ouwe djago achterin, al
half ompong, weet je, met zo'n brede scheiding in de midden: 'Vertel
even Roy, d'r voor of d'r na?' Ik doe maar net of ik niet goed hoor.
Intussen denk ik bij mezelf 'doe niet zo amicaal, kerel. Heb ik soms
met je
op school gezeten?' En eigenwijs, eigenwijs, niet te kort. Er wordt
gevraagd 'In welk jaar werd de wet
ophet Nederlanderschap in Indië van kracht?' Het juiste
antwoord
is '1892'. Zegt er één:
'Die wet wordt van kracht in 1896. Fout, natuurlijk, maar waar ik over
val is... die wet wordt van kracht. Heeft die vent dan nooit gehoord
van 'de onvoltooid verleden tijd, aanvoegender wijs stiller kracht'?
Hopeloos. Ga je schoolgeld liever terugvragen man, als je zo praat.
Ik wil hebben, praat dan niet. Nou ja, soedah. Alleen dat lachen om de
haverklap zit me nog steeds niet lekker. Ik weet, ik weet allang.
Lachen is gezond. Sterker, lachen maakt gezond. Toch ben ik maar wat
blij, dat ik van mijn moeder heb geleerd, dat
het leven in Holland na den oorlog beslist geen pretje is. Gezellig wel
hoor, daar bij Indo's. Altijd lekker eten, natuurlijk. Als ze mij weer
vragen, ik kom. Dan zal ik hun trakteren.
Op een verhandeling over 'Is er veel hoop na het eten van sambalan
peteh'. Ja zeker, hoopjes ongerief, hoopjes. Ga tel Bent u net zo gek
als ik, op sommige reclamefilmpjes? Zoals die ene van de Melkunie. 'Ik
heb nog zo gezegd, geen bommetje!' Of die andere. Hoe toch ook alweer?
Je lah je werkelijk kripoet, als je ziet. De laatste tijd is er ook
een, niet zo bi hoor, die op een gegeven moment vraagt 'Need a
pentium?' Vaak als ik aan ons Indo's denk, denk ik terug aan mijn
allereerste. Nee, niet aan mijn allereerste meisje. Maar aan mijn
allereerste computer, die zich kreunend en steunend door wp 4.2
worstelt. Zo langzaam, weet je? Mijn handen jeuken gewoonweg. Je denkt
eerst Indo inside zeker deze. Die ouwe 8086 is werkelijk niet vooruit
te branden. 'Plan plan', net als mijn broertje. Maar je krijgt wel alle
tijd om weg te dromen. Naar verre gebieden, 'never ever' door Columbus
ontdekt.
De Poentjak, Banjoewangi, Tjilatjap, Babi ketjap, noem maar op. Mijn
eerste meisje worstelt zich ook kreunend en steunend door wp 4.2 hoor,
maar zij is van Holland, van de zangvereniging. Dus klopt niet bij dit
verhaal. Zoals ik al eerder vertelde, krijg ik aan mijn kraampje op de
pasar malam besar regelmatig ideeën aangereikt door wel
willende
bezoekers. Zo is er laatst zo'n stralende jonge vrouw, jong en ze wil
wat, weet je, die enthousiast komt vertellen, dat haar moeder graag een
T-shirt te water gelaten ziet met de tekst 'Ga tel'. Licht voorover
gebogen overhandigt ze mij de tekst op een briefje: 'Ga tel'. Het staat
er echt. 'Jeetje kriebel', denk ik, meer onder
de indruk van de zinderende licht voorover gebogen uitstraling. Heur
haar in een moderne kondeh, weetje, haar ogen al ondeugend, haar
lippen, adoe soedah laat maar. Haar apa nama nja, haweldih! Eh, wat wil
ik ook weer zeggen? O, ja, wat moet je met zo'n idee? Misschien weet u
daar raad op. Laat mij weten tegen die tijd. Want u ook 'Indo inside',
toch? Plan plan, ik weet immers… Als zij weer voor mijn neus
staat, is de jonge vrouw vergezeld door haar moeder. Trots wijst zij
naar haar, als de bedenker van de vondst. De moeder is een voorbeeld
van de Indische, die in 'negeri koud' de moed niet heeft laten zakken.
Goed pensioen, leuke doorzonflat, centrale verwarming, leuke dochter,
breedbeeld tv. 'Ga tel je winst', zal zij waarschijnlijk zeggen. Mijn
computer van tegenwoordig is betoel betoel snel. Harde schijf al met 98
gigabytes, 64 Mb. intern geheugen, weet je, 350 Mhz Intel inside, wat
wil je nog meer? Maar ja, nauwelijks tijd om weg te dromen. Adoe, haar
lippen, als een, als een wilde orchidee. Piercing door haar neus. Ik
denk eerst gewoon oepil, maar neen. En als ik aan haar apa nama nja's
terug denk, opeens 'gatel inside'.
Sneeuwpretjes
December 1950, ik hoef niet langer te dromen van een witte kerst. Het
sneeuwt. Op bezoek bij 'tante Dik' in Blaricum proef ik mijn eerste uit
de hemel gevallen glas met es poeter. Je doet gewoon een handje sneeuw
in
een glas, weet je, rozenstroop erover, klaar. Tegenwoordig kan dat niet
meer, vanwege de luchtvervuiling. Gevaarlijk, pas maar op. Straks
setinga mati, jij.
Wat ik in de jaren daarna steeds minder goed snap, is
de vanzelfsprekendheid waarmee wij Indo's die ijskoude vlokkige massa
slikken, als de gewoonste zaak van de wereld. Nog een kind schrik je
eerst, je krabt even achter je linker winteroortje en je denkt: 'Hoe
ken?' Maar ja,
zo'n gratis glas es poeter is mooi meegenomen, toch? Toch typisch, wij
kennen sneeuw immers eerst alleen als uit elkaar geplozen kapok in de
kerstboom? Volgens mij lijken wij alleen maar onaangedaan. Binnen het
kader van onze tomeloze aanpassingsdriften. Kan niet anders. Binnen
datzelfde kader gaan tegenwoordig hoopjes Indo's naar wintersport,
geloof je? Ik ook, met mijn oudste dochter en de kleinkinderen naar de
Franse Alpen. Gezellig toch? Even het Zwitserleven gevoel van Marion
Bloem opsnuiven. Enfin, ik stap met kleindochtertje uit de auto,
al compleet met sneeuwkettingen, weet je. Gehuurd bij de ANWB. Zij ziet
die enorme sneeuwmassa en zet
het meteen op een brullen. Van angst, natuurlijk, wat denk je anders?
Ik schrik ook, van haar, maar opeens weet ik het weer. Nah itoe dia,
Indische oerdriften. Spontaan komt bij die kleine printil onze
ingebakken angst tevoorschijn. Voor alles wat blank is. Want die sneeuw
daar in Frankrijk is blank, hoor.
Je wil niet geloven. Zo blank als de mollige bovenarmen van
Sneeuwwitje. Als ik in de verte de Mont blanc zie,
moet ik steeds aan haar denken. Aan die mollige bovenarmen van haar.
Odile beschikt als elke Indo natuurlijk over een geweldig
aanpassingsvermogen. Na een paar dagen éét zij
sneeuw.
Hopeloos, dat meisje. Ze kijkt me wel aan met oogjes,
die vragen 'Hoe ken, opa?' 'Ken wel, meis', stel ik haar gerust, bind
een paar plastic ski's onder haar buggy
en we gaan nog even genieten van sneeuwpret voor Indo's. Kijken, hoe
Menno en Lars zich met kinderlijk genot van de besneeuwde hellingen
storten. Het enige bekende geluid voor een Indo in de Alpen is het
schrapen van hun ski's. 'Srèt, srot, srèt, srot'.
Tegenwoordig droom ik nog maar zelden van een witte kerst. Neen, ook
niet van Sneeuwwitje. Ik vertel jou lekker toch niet. Je hoeft toch
niet te weten, waar ik over droom? Sombong loh, die Indo's daar in Les
Arcs. Ze kijken je gewoon niet aan, als verblind door sneeuw. Dat is op
de Pasar Malam Besar gelukkig anders. 'Eeh, Pèh, apa kabar?
Wil
je een pisang goreng van mij? ' Binnenkort weer, op het Malieveld.
Rameh.
Kwee mangkok
Het hoogste genot voor mij, afgezien van de sambalan taotjo van mijn
vader, is te fröbelen met taal. Er blijft me weinig andere
keus
over, sinds ik met vier linkerhanden ter wereld ben gekomen.
Gebarentaal is daarmee ook al niet voor me weggelegd. Zodat ik mij in
vrije uurtjes maar bezighoud met taal te bekrachtigen. Misschien komt
het ook wel, omdat ik een Indo ben. Wij kunnen immers op een bijna
onnavolgbare manier de taal bekrachtigen. Zo niet verkrachten. En dan
nog lol hebben over onze eigen Indische verbuigingen ook nog
Laatst, ik ben alweer vergeten wanneer precies, komt er op de pasar een
opgewonden man bij mijn santenkraampje staan. Hij mist een bepaalde
essentieel Indische tekst op een van mijn lollig bedrukte T-shirts en
mokken. 'Adoe, mijn tand hij watert', glundert hij. Ik kijk hem wat
glazig aan en beloof deemoedig in de omissie te zullen voorzien. Je
kunt een Indo maar beter niet tegenspreken. Voor je het weet 'mata
gelap' anders.
Een paar dagen later, sta ik in mijn pauze aan de bar te lurken aan
mijn jus met pisang Ambon. Naast mij staat een stel amoureus te
kletsen. Allebei midden veertig, zo te zien. Ik ken haar ergens van.
Blozend tot ver achter mijn oren ben ik getuige van de volgende
dialoog:
- 'Loh, jou piercing boleh, sèh.' - 'Ai, moet je mijn kwee
mankok proeven. Adoe, jou tand hij watert!'
Eerst begint het me te duizelen en vermoed ik zelfs even, dat er tegen
me wordt samengespannen. Als er meer dan tien Indo's op een vierkante
meter staan, moet je uitkijken, immers? Op haar blote linkerschouder,
die zij bijna maar in mijn jus duwt, schittert een vuistgrote
moedervlek in de vorm van het eiland Saparua. Valt mij op, ken ook neks
aan doen. Van onder haar oksels stijgt een walm op van Soir de Paris,
subtiel vermengd met de geuren van durian, rosbief en sambalan tempeh.
Valt mij gewoon op, ken ook neks aan doen.
- 'Druk vandaag', mompel ik beduusd tegen mijn buurman, oud Marineman,
later in Holland lokettist bij de post, nu handelaar in Chinese klokken
(Komt tijd, komt laat).
- 'En zo benauwd, ja?', antwoordt hij beleefd.
De twee grijze tortelduiven, zo weggelopen uit ‘Indorock
Café, spoeden zich op aandringen van een ladyspeaker naar
het
Bibittheater. Langzaam begint het me te dagen. Neen, geen rosbief, geen
dengdeng manis. Jah, ik weet al. Ik weet allang. Ik ken haar natuurlijk
van haar kwee mankok. Geweldig, weet je... haar kwee mankok. Als ik aan
de beide denk,
adoe, mijn tand hij watert.
Geef neks
Meervoudige observatie van bezoekers op de Pasar Malam Besar heeft me
er uiteindelijk van overtuigd, dat Indo's om werkelijk het minste
geringste geweldige herrie met elkaar krijgen. Nog niet eens watwat, al
watwatjij.
Mijn oudste zoon heeft als hobby (had hij maar net als ik een vak
geleerd) het bedrukken van T-shirts met pakkende 'Indo-teksten'. Deze
gaan als warme broodjes over de toonbank. Een van die teksten luidt:
'Loh geef neks, als geef maar geluid'. De jongen heeft volgens zeggen
veel verstand van Alfa's.
Een longitudinaal onderzoek mijnerzijds, tussen neus en lippen gedaan
tijdens de vele pseudo-pasars, die in dit land door Jan en Aliman op
touw worden gezet, geeft o.a. de volgende resultaten: De meeste
reacties zijn afkomstig van de groep Indische meisjes in
de leeftijdscategorie 13 - 31 jaar ( 27 respondenten ). Meest gehoorde
reactie: 'Ach, zo zegt Oma het ook altijd...'
Als goede tweede volgt de reactie van oudere Indische heren in de
categorie 35 - 53 jaar ( 14 respondenten ). Negen ervan reageerden met:
'Fout!! Het moet zijn Loh, geef neks, als maar geef geluit.' De
overigen zijn, of liever waren, bestuurslid van een van de vele
Indische culturele verenigingen. Met als voornaam oogmerk in hun
bestuur gezellig te kunnen ruziën. Om neks werkelijk. En dan
ook
nog eens vlak voor ons kraampje. Verlegen, immers?
Ik weet gewoonweg niet waar ik kijken moet, af en toe.
Velen zijn 'stante pede' uit de besturen geknikkerd.
Ten eerste, omdat ze toch al geen bal uitvoerden. Ten tweede, omdat zij
de euvele moed hadden te menen, dat taal leeft. Ook Indische taal. In
ieder geval op de T-shirts van Micha. En bij al die jonge 'belanda
gorengs', die ze gretig bij hem afnemen.
De nog zittende bestuursleden zijn sedert 27 december 1949 van mening,
dat 'Indische Cultuur' niet meer bestaat. Dit is zeker waarom zij op
hun krent blijven zitten. Een van hen is, heb ik van horen zeggen,
voornemens protest in te dienen bij de Koningin. Tegen de shirttekst
'Super Indo'. - ‘Wij zijn verdikke geen
allochtonen!’,
briest hij, ’Wij zijn geboren op Nederlandse bodem! Daar sta
ik
op!’ Die gaat op een gegeven moment een bodemprocedure
beginnen,
wat ik je brom. Kunt u er nog een touw aan vastknopen? Ik haal mijn
schouders op en denk gewoon: ' Geef neks. Je blaas maar, toch? Je beuk
maar raak, joh.
Als geef maar geluit...'
Droomgebieden, geen van
alle ooit door Columbus ontdekt
Buiten is het winter. Voor me liggen een foto en een fotografie,
respectievelijk van een Indiaan en van
een beeldend kunstenares. Verwondering en verbazing bij het zien van
het werk van deze in Limburg geboren kunstenares. Haar accent verraadt
dit onmiddellijk. De beweging in haar krijttekeningen geenszins. Die
doen eerder denken aan de wulpse bewegingen van de Jaipong, een
traditionele dans van Westelijk Java. De fotografie is al even
verhullend. De prent is van een fotograaf, die door het leven springt
als een Indojana Djoons. Bruin als een doorbakken roze gamba, deze
verdwaalde indiaan. Ik weet allang, Indische jongen deze. Maar hoe ken?
Fotograaf, dichter…. Indische jongens werken toch bij het
ministerie van defensie.
Of anders bij de ABN Amro?
De kunstenares geeft op de bewuste fotografie weinig van zichzelf
bloot. Integendeel, ze brengt juist een wit masker bij zichzelf aan. La
paloma bianca. Waarom neemt ze niet een fatsoenlijke baan? Als modiste
of als parkeerwachter. Wanneer je de moeite neemt haar werk
nauwkeuriger tot je te laten doordringen, wordt
het duidelijk. Je raakt al snel ‘bewitched, bothered and
bewildered’. Als je niet oppast gaan haar tekeningen met je
op de
loop, naar verre mysterieuze gebieden, geen van alle ooit door Columbus
ontdekt. Wij weten inmiddels beter dan Columbus zelf, dat hij
Indonesië nooit heeft ontdekt. Ook al noemt hij de mensen, die
hij
ontmoet Indianen en al heet de Indiaan op de foto stomtoevallig Roy
Pete. Hij lijkt niet alleen op me. Hij is op zijn ouwe dag in het
voormalig indianenland, in de buurt van Fort Washakie, Wyoming, nota
bene ook bezig zijn eeuwige achtergronden te ontdekken, vorm te geven
en uit te dragen. Wat een geluk, dat ik heilig in toevallen geloof.
Als ik op een onbewaakt ogenblik kans zie de kunstenares een masker af
te rukken, komt de aap uit de mouw. Deze paloma bianca is een belanda
hitam. Is er nog iemand, die weet wat een belanda hitam is? Een handje
vol weet dat, misschien. Af en toe bekruipt mij het gevoel, dat men in
Holland niet graag herinnerd wordt aan àl het grootsch, dat
gindsch werd verricht. Indische mensen wordt misschien wel daarom
dringend aangeraden zich meer te assimileren, dan ze in hun hart bereid
zijn. Als ze er niets aan doen, blijft de Indo een post
‘Onvoorzien’ op
de rekening van een rijk koloniaal verleden. Ogenschijnlijk voldoen
zij, als eerste minderheid in het Holland van ‘na den
oorlog’, braaf aan de met zachte drang doch dwingend
opgelegde
ingburgeringsplicht. Maar, al hebben
ze nog zo’n mooi uniform aan, van de parkeerwacht of van de
ING-
bank, je weet driedelig met terloopse krijtstreep, ze lopen
gegarandeerd met hun voeten iets naar buiten wijzend, de
knieën
lichtjes gebogen, afhangende schouderpartijen. Malu kutjing. In de
kleding, die een jonge ontwerpster, haar teint ‘seperti kulit
langsep’, haar ogen al ondeugend, haar lippen
‘aduh, sudah
laat maar’… In de kleding, die zij behendig voor
je
snijdt, ontdek je meteen heel dubbelzinnig sierlijk erotische lijnen
van een straks vergeten Javaanse dans.
Al zal Lieve, postkoloniaal Indomeisje uit Den Bosch, ervoor zorg
dragen, dat de herinnering aan die dans voorlopig levend blijft. Zij
heeft de bewegingen van haar moeder geleerd en die weer van haar
moeder.
De onmerkbaar blozende kunstenares intussen, haar voetjes in de
uitgangspositie, gunt gretig haar weelderige wild geurende
orchideeën aan Japans papier. Buiten is het winter, binnen
brandt
de eeuwige vlam van Indische onzekerheid. Onder een denkbeeldig witte
deken van sneeuw en ijs, besef ik, zijn honderden naoorlogse Indische
mensen, ieder op hun manier, stilletjes bezig hun gemengde culturele
achtergrond vorm te geven en uit te dragen. Ook voor hen is het tijd
voor ‘Reformasi’, de hoogste tijd om te ontsnappen
aan de
dictatuur van
een pijnlijk verleden. Ik was beslist van plan hier te schrijven over
‘Postkoloniale Indo-invloeden op kunst en
industriële
vormgeving’. Invloeden, die minder licht verteerbaar zijn,
dan
die van dat ongewoon Indische meisje met haar Zwitserleven gevoel, of
van die roekeloze bedwinger van Indische top der duinen. Daarover een
andere keer maar. Je weet wat ING betekent, toch? Niet? Indo Nederland
Geboren,tierlek!
Geen punt
“Geen punt”, denk ik telkens op het moment, dat ik
me
realiseer, dat elke periodiekenschrijver vroeg of laat wordt
geconfronteerd met het virtuele verschijnsel
‘deadline’.
Meestal pas laat. Geen punt. Geen punt aan mijn potlood. Hoe dan? Hoe
kan ik zo een column schrijven, zo zonder punt aan mijn potlood?
“Zorg er dan voor, dat je zaakjes in orde zijn, kerel! Neem
een
voorbeeld aan Dorie. Zij heeft haar zaakjes altijd picco bello voor
elkaar”, hoor ik mijn moeder al mopperen. “Daar kun
je een
puntje aan zuigen, als je wil!” Met zulke, vooral tot mijn
verbeelding sprekende, dikwijls hardhandige aanbevelingen ben ik mijn
hele jeugd door mijn ouders gedrild.
Een repatriërende dwanghandeling met als doel hun zoon te
ontplooien tot accuraat, deugdzaam, aangepast, Nederlands staatsburger.
De vraag is, of die energie goed is besteed. Aan een Indo of een nazaat
ervan.
Het antwoord hierop laat ik over aan cultureel antropologen. Een
studierichting overigens, die volgens mij heel geschikt is voor
postkoloniale Indo’s. Als zij zonodig drs. Voor hun naam
willen
krijgen. Ook dit is een slag in
de lucht, die ik bij de antropologen deponeer. Gampang. Dat ik mijn
moeder dergelijke raadgevingen nog steeds voel zeggen, terwijl
ze al jaren geen ‘boe of bah’ meer zegt, heeft
niets te
maken met, dat ik stemmen hoor, hoor. Ik praat nog bijna dagelijks met
haar, moet je weten.
Ik heb trouwens nog wel meer vooronderstellingen bij de hand, die
studie waard zijn. Eentje dan: Indo’s staan erom bekend, dat
ze
veelvuldig hun handen wassen (daar kun je hier in Holland voor in
therapie, heb ik me laten vertellen) en ze zijn verminderd accuraat. U
weet wel,
‘je blaas maar, je beuk maar raak, als maar geef
geluid’.
Laat ik vooropstellen, dat ik uit een familie kom, waar ze door de
eeuwen heen er maar niet toe gekomen is de puntjes op de -e te zetten.
Begrijp me goed, ik zou maar al te graag een puntje aan Dorie willen
zuigen.
En ook de puntjes op haar ie zetten. Maar dat terzijde.
Voordat u gaat bellen, u heeft gelijk. Ik heb het net opgezocht in die
dikke van Dale. Het moet zijn ‘pico bello’. We
schrijven
wel ‘piccolo’. En zeggen piekolo, lees ik. En we
zeggen
pikkalille, op zijn Moluks. Adoe, onze taal is muulek.
“Sorry, ja mam. Ik maak door maar grapjes met jou. Maar het
is
toch zo? Dat je onze achternaam schrijft zonder puntjes op de
–e.
Je hebt ons dat nog zo geleerd. Toch blijft Jan en Alleman er maar
puntjes op zetten. Ze zijn zo accuraat, die belanda’s.
Hopeloos…” Ik was mijn handen door maar in
onschuld.
In Paramaribo zeggen ze
“What’s in te Suri name”. Maar wij, wij
zijn Pi
Jetjes precies. Dus, nog één keer: Puntjes op de
-i, moet
jij zelf weten. Maar geen puntjes op de -e. Denk daar om. Gewoon, Micha
Armand Piette. Even wat anders, die meneer van Dale, hij wacht nog
steeds op Atjeh, hoor ik. Bongol, die vent. Hij wacht daar zeker op
zijn backpay.
Lieve Olaf
Vanmorgen dacht ik ‘Jah Illah, vandaag viert mijn broertje
een
25-jarig jubileum’. Geweldig. Ondanks je kalende grijze kop
ben
jij altijd mijn broertje gebleven. Ondanks ook het feit, dat ik je op
je zestiende niet meer fysiek
de baas kon zijn, je niet langer naar mijn pijpen kon laten dansen.
Waarmee een van mijn favoriete hobby’s door jou de grond in
werd
geboord.
25 Jaar bij het SFB das niet mis. Je vierde onlangs al een ander
jubileum, 25 jaar met Elma, een zo mogelijk nog grotere prestatie. In
deze 25 jaar, hebben jullie nog een andere prestatie geleverd. Ik zie
hem daar zitten. Vanuit mijn vak weet ik, dat je het als ouders altijd
verkeerd doet, en ik heb jullie dus steeds laten weten, dat jullie
Arjan helemaal verkeerd aan pakten. Ik moet echter toegeven, hij is de
derde fatsoenlijke Piette van na den oorlog. De eerste was je vader en
de tweede ben jij, Olaf. Fatsoenlijke mensen zijn mensen, waar je
ondanks hun niet na te vertellen eigenzinnigheid op kunt bouwen. Zo zal
het SFB je ook hebben leren kennen, daar weten ze immers wat bouwen is,
zo kennen wij jou. Je vader zou zeggen ‘Had je moeder, dit
maar
mogen meemaken’. Inmiddels is ook hij verhinderd getuige te
zijn
van deze heugelijke gebeurtenis. Jammer. Josta en ik en alle andere
vrienden en collega’s zijn er, om deze dag met je te vieren
en en
passant, dat hoort zo bij Indo’s, daar lekker bij te eten.
Blijf maar niet meer zolang meer bij dat SFB, maar blijf nog jaren bij
ons in
de buurt. Ik moet toegeven, broertje, dat het stukken prettiger is, om
op iemand te kunnen bouwen,
dan te proberen hem naar je pijpen te laten dansen.
Vaarwel Indië,
vaarwel
Hij mocht er niet bij zijn, si Jorge. Daar kwam niks van in. Wij in
Nederland weten gelukkig heel goed wat fout is. Dat wij zo goed op de
hoogte zijn van goed en kwaad heeft waarschijnlijk alles te maken met
de 360 jaar koloniale leerschool in de Gordel van Smaragd.Het begon
allemaal lang gelee met de VOC. De tranen van Maxima rolden dan ook
voluit over de buis. Vaarwel Papa, vaarwel.
Indische Nederlanders zijn door de eeuwen heen meer dan Oranjegezind
geweest. In Indië duurde Koninginnedag een volle week.
Alhoewel
wij Hare Majesteit daar nooit in levende lijve hebben ontmoet. Het
klimaat was waarschijnlijk slecht voor haar teint. Zij was nu eenmaal
het symbool voor onze nieuw verworven identiteit.
Indo-Europeanen, niet van een mindere maar ondubbelzinnig wel van een
andere kwaliteit, waren op zeker moment in de koloniale geschiedenis
godzijdank niet meer over een kam te scheren met de inlander, de
Indonesiër. Dat was destijds een mijlpaal. Indonesië
schijnt
zich niet al teveel van mensenrechten aan te trekken, vinden wij op dit
weilandje aan de Noordzee. Toch behoort het land inmiddels tot een
gerespecteerd land, met gerespecteerde burgers.
‘Times they are changing’. Verworven rechten
gedurende
Tempo Doeloe bieden geen garantie voor de toekomst. Inmiddels lopen er
nogal wat Indische nakomelingen rond op dit volgepakte weilandje.
Nakomelingen van de eerste generatie Indische Nederlanders, die
zo’n vijftig jaar geleden hier uiterst koel zijn verwelkomd.
Zij
zijn aan de aandacht van een zekere Fortuyn ontsnapt. Geen wonder, van
meet af aan gedroegen zij zich immers Hollandser dan de Paus ooit kon
voorwenden. Dat was niet eens
het grootste probleem. De grootste moeilijkheid als gevolg van de immer
veranderende tijden is, dat niet meer zo duidelijk is, wat goed en fout
is.
Waren de Indonesische vrijheidstrijders onder leiding van hun met de
Japanners heulende bendeleider Bung Karno destijds goed of fout? En
opstandelingenleider Willem van Oranje slechts fout in de ogen van
Philipus de tweede? Onze koningin heeft de eerste president van
Indonesië nimmer uitgenodigd voor een tuinfeest op ons
weilandje.
Wel zijn opvolger, die momenteel gezien werd als een van de grootste
boeven beneden de evenaar ooit. Net zo’n grote boef als
Poncke
Princen?
Appels en peren kun je slechts met moeite met elkaar vergelijken. Ze
vallen beide echter niet ver van de boom. Vandaag fungeert het
prachtige eilandenrijk tussen Sabang en Merauke als een gewild
vakantieland voor velen die er ooit geboren zijn, of er in ieder geval
hun roots hebben liggen. Er is na dik vijftig jaar ruimte voor een
gebaar, van spijt. Jongere generaties Indische Nederlanders krijgen
vrijelijk belangstelling voor hun andere dan Europese roots. En voor de
specifieke pwerikelen tussen hun oren. Daar kun je tegenwoordig voor in
therapie. Er bestaat gerede twijfel aan het nut ervan. In mijn hart en
in mijn nieren blijft immers voortdurend die andere tango klinken
‘Vaarwel Indië, vaarwel. De baat die
een gebaar van spijt eventueel kan hebben zal van korte duur zijn.In
Jakarta is onlangs geprotesteerd
tegen de viering van 400 jaar VOC. Het moet niet gekker worden.
Naar het land van
herkomst
2 November 1899, Batavia Meester Cornelis. Edu ziet het levenslicht,
knippert met zijn ogen en zet een keel op van jawelste. Er is, naar zou
blijken, een kosmopolitisch schrijver geboren. Zijn geboortehuis droeg
de naam ‘Gedong Menu’en was het grootste
‘herenverblijf’ in Kampong Melaju, zoals die door
welgestelde blanken werd bewoond. Toen Edu er geboren werd, stond het
daar al zeker 100 jaar. Vanuit dat huis verbreedt de kleine Edu,
langzaam maar zeker, zijn horizon. Eerst op Java, uiteindelijk belandt
hij na omzwervingen in het schildersdorpje Bergen in Noord-Holland.
Edu weet nog niet, dat hij ooit, daar aan de andere kant van de wereld,
deel gaat uitmaken van de fine fleur van de vooroorlogse Nederlandse
literatuur. Voorlopig heeft hij zijn handen vol aan zijn baboe Amila,
die er tot zijn veertiende voor hem is.
Als Edu zeven is, verhuist het gezin naar Balekambang,
een zandbaai aan de Zuidkust van de Peanger. Daar onderneemt zijn pa
een poging tot het opzetten van
een rijstpellerij. Edu gaat intussen naar school, in Sukabumi en
Batavia, maar heeft daar meer belangstelling voor het verenigingsleven,
toneelspelen en sport (boksen). Zo’n jongen heeft weinig
andere
keus, dan zich te ontpoppen als iemand. Die het penvoeren tot middel
van bestaan zal kiezen.
1921 Met zijn ouders naar Europa. Waar zij uiteindelijk hun intrek
nemen in een kasteeltje te Gistoux.
Edu had kennis aan een zekere A.C.Willink , die zijn verhalen
regelmatig illustreerde. Hij schreef en schermde, Edu vereenzelvigde
zich graag met d’Artagnan, met A.Roland Holst.
In Parijs, 1922, hij woonde er met zijn 2e vrouw, schreef Edu zijn
eerste roman
‘Een voorbereiding’. Onder
het pseudoniem Duco Perkens. Tot 1926 publiceert Edu uitluitend onder
dat pseudoniem. In dat jaar echter maakt hij daar abrupt een einde aan.
Ook aan het zogenaamde bestaan van Duco. In de uitgave van
‘De
volledige werken van Duco Perkens’ schrijft Edu een pakkend
nawoord over de
‘te jong gestorven penvoerder’. In het tijdschrift
‘Nederland’ verschijnt prompt een In Memoriam voor
Perkens.
Edu nam het in zijn schrijverschap erg op voor Multatuli.
In 1936 reist Edu af naar zijn land van herkomst.
1939 weer terug naar Holland
14 mei 1940, Charles Edgar du Perron, 41 jaar, overlijdt in Bergen Nh.
Zijn literaire reis is voorbij.
Topografie
Hoogezand, Sappemeer, Oude Pekela, Nieuwe Pekela, Scheemda. Een paar
flarden van het rijtje, dat ik vroeger in Indië erin moest
stampen. De hemel zal weten waarvoor.
Niemand wist toen, ook in Holland niet, dat de provincie Groningen
eigenlijk op een enorme gasbel drijft. Dat zou het misschien wat
spannender hebben gemaakt. Holland als decor voor een spannend
jongensboek.
Bij het topografische rijtje van Kalimantan, Borneo toen nog, dreunden
wij: Pontianak, Bandjarmasin, Balikpapan. Dat leek dichter bij mijn
bed. Er wonen koppensnellers. Wow.
In de bodem van Kalimantan, lees ik nu en lees maar even met me mee,
bevindt zich een voor Indonesië niet onbelangrijke
energiebron,
steenkool. En wie weet ook wel gas. Belangrijker op het forse eiland is
van oudsher
de in de wildernis gewonnen rotan en de rotanteelt. Grondstof voor
allerlei gebruiksvoorwerpen. Van Winschoten tot Roodeschool vrijt menig
stel tegenwoordig in een bambu hemelbed. De rest van de wereld heeft
echter meer belangstelling voor het ‘groene goud’
van
Borneo. De Indonesische overheid verleent maar al te graag
houtkapconcessies, gezien de daarmee binnenstromende deviezen. En dat
is jammerlijk, weet zelfs een kind.
Nog maar een fractie van de op het eiland aanwezige flora en fauna is
in kaart gebracht en met de kaalslag van
de oerwouden verdwijnt daarvan een ongekend deel. Langzaam maar zeker
verdwijnt ook de wankele basis van bestaan voor de oorspronkelijk
inheemse bevolking. Nederland is per hoofd van de bevolking een van de
grootste verbruikers van hardhout. Voor de Dayaks waren Nederlanders
vanaf het moment, dat zij voet aan wal zetten op Borneo, gekende
vijanden. Nauwelijks te snellen hardhoofden met een merkwaardige
beleving van en filosofie over machten seksualiteit.
Dayaks, eigenlijk een verzamelnaam voor verschillende etnische groepen,
werden door
de eeuwen heen overspoeld door Chinezen, Indiërs, Kaaskoppen
en
Maleiers. Argeloos werden zij door hen terzijde geschoven als
onontwikkelde, achterlijke wilden, met hun merkwaardige beleving van en
filosofie over leven en dood. Pim, zelf toch niet te beroerd om koppen
te laten rollen, zou waarschijnlijk zijn neus voor hen hebben
opgehaald. Niet voor hun prachtige houtsculpturen, maskers en talloze
andere kunstuitingen.
In een eerdere column noemde ik de onbeschrijfelijk schone
kunstvoorwerpen, die dat achterlijke volkje, niets nuttiger te doen
immers, naast hun verering van voorouders en eigenaardige
verzamelwoede, creëert. Van materiaal, dat het bos hen
schenkt,
maken zij met eindeloos geduld en vrome liefde, adembenemende juwelen,
waar de wenkbrauwen telkens weer van omhoog gaan. Voor de Westerling is
het heel aantrekkelijk, om als toerist, er zijn uitstekende
vliegverbindingen, het eiland met voeten te treden en wild om zich heen
te schieten met een digitale camera.
In een wip levert dat een interessante digitale diapresentatie op, ter
vertoning ergens in een tentenkamp op het Malieveld. Er is nog veel
meer moois te beleven in de Indonesische archipel. Hoogezand,
Sappemeer, Bali, Lombok, Flores, Sumba, Sumbawa. Daarover later
misschien meer.
Op de Pasar Malam Besar sprak nog niet zolang geleden een jonge en
veelbelovende presentatrice bij herhaling over “Bor, nee
joh”.
Kalimantan, lieverd.
Het versierde lichaam
Hoofddoekjes zijn tegenwoordig in. Niet alleen bij Moslimmeisjes, want
zelfs modehuizen als Versace en Chanel hebben alert erop ingespeeld en
daarin een eigen lijn ontwikkeld. Als deze tenminste echt zijn, want je
komt vandaag de dag een hoop neppers tegen. Reactionaire autoriteiten
hebben geprobeerd deze vorm van vrije uiting te verbieden. Toen dat
niet wilde lukken, kwam alras de chador om de hoek kijken. Je vraagt je
af, hoe een mens anders zijn ware gezicht verborgen kan houden. Daar is
een mens immers vrij in, zou je zeggen. Al wil je gehuld gaan in een
Egyptisch gordijn. “Dat moet je zelf weten”, zou
mijn
moeder misprijzend zeggen.
De rector
van een scholengemeenschap in Den Haag verbiedt niettemin zijn
leerlingen het dragen van Londsdale kleding.
In Indië is zwarte kleding deftig. Je vraagt je af, hoe kan
een
mens nog anders zijn eventuele narzistische sympathieën
uitdragen.
Dit zijn ronduit koloniale toestanden. Zo meende destijds een ambtenaar
in het voormalig Nederlands Indië het dragen van bepaalde
provocerende hoofdtooien door de mannen van de Tanimbar eilanden domweg
te kunnen verbieden. Met instemming van Missie en Zending. Het waren
reusachtige hoofdtooien gemaakt van prachtige veren en felkleurig
katoen, die de bedoeling hadden vooral het andere geslacht te
imponeren. Ter oriëntatie, de Tanimbar eilanden bevinden zich
helemaal aan het eind van het bekende rijtje Bali, Lombok, Sumba,
Sumbawa, Flores, Timor. Indonesië het land van de 13.000
eilanden
is, in ieder geval in Nederland, wereldberoemd geworden met de
ontelbare klederdrachten, die het uitgestrekte eilandenrijk kent.
De ene nog mooier dan de andere. Een Pasar Malam is gewoon niet
compleet zonder een wervelende show van klederdrachten uit de
Minangkabau, de Bataklanden, noem maar op. Bali niet te vergeten.
Het is niet alleen kleding, als het bij de naakte mens om versieren
gaat. Een tatoo of een piercing behoren al beschavingen lang tot de
middelen om iets meer over jezelf uit te dragen. Op het Indonesische
deel van het eiland Borneo, tegenwoordig Kalimantan geheten, droegen de
Dajakers loodzware ringen door hun oren. Zowel de mannen als de
vrouwen. Vaak meerdere aan een oor en dermate zwaar, dat de pijnlijk op
de proef gestelde oorlellen op den duur enorme gaten gingen vertonen.
Bij hun komt dan ook de uitdrukking vandaan: “Wie mooi wil
zijn,
zal pijn lijden.
“Wat je mooi noemt”, zou mijn moeder zeggen. Haar
dochter
kreeg vlak na de geboorte, zoals het hoort, simpel een schattig 24
karaats gouden oorbel, een gewoonte die in Holland in onbruik is
geraakt.
Mijn jongste zoon heeft een piercing laten aanbrengen door zijn linker
tepel. Kurang ajar die vent. De oudste draagt een gouden ring aan zijn
linker oor, terwijl hij zich aanvankelijk afvroeg, of de keuze van
links of rechts misschien ten onrechte iets zou veronderstellen over
bijvoorbeeld seksuele geaardheid. Ik probeerde hem daarin gerust te
stellen door te opperen:
“Welnee jongen, je bent gewoon links dragend.”
De dikwijls fraai bewerkte peniskokers van de Papoea’s mogen
in
deze opsomming van mooie dan wel aparte lichaamsversierselen niet
ontbreken. Dezelfde Dajakers,
met die enorme oorlellen, boorden zonder te verblikken of te verblozen
ook nog een glimmend metalen stift door hun penis. Ik zie hun al
daarmee paraderen op het festival van ‘Wie heeft de
leukste?’.
Spiritualiteit en
geestelijk leven van een Indisch kind
In Indië gebeuren meer dan elders op de wereld geheimzinnige
en
onverklaarbare dingen.Ongelooflijke dingen, die toch echt gebeurd zijn.
Dit alledaags gevoel voor mystiek van Indische mensen heeft een
voornamelijk Javaanse oorsprong. Het is een poging om vat te krijgen op
het noodlot en mogelijk onheil te weren. Het gaat hierbij om kleine,
overzichtelijke gebruiken, zonder diepfilosofische achtergrond. Dingen,
die je zorgvuldig uitvoert of juist vermijdt te doen. Nooit
vuurvliegjes vangen, want dat zijn de nog dolende zielen. Vertel een
nare droom nooit voor het middaguur, want anders komt deze misschien
uit. Niet doen. Altijd je handen wassen na een bezoek aan een
begraafplaats. Waarvoor? “Doe ‘t nou maar
gewoon”.
Mijn Javaanse overgrootmoeder, Simah, die
de huwelijksakte ooit tekende met een kruisje ( ‘omdat zij
den schrijfkunst niet machtig was’ zo stond in
een voetnoot vermeld.) bracht elke vrijdagochtend , jumat, een bord
eten naar het graf van haar man, een Belgische soldaat - boekbinder.
Zij deed er steevast een jenever bij, dat aan het eind van de dag
natuurlijk in
de hitte verdampt was. De geurige rijst met de vogels gevlogen.
“Hij is er nog steeds dol op”, wist zij zeker.
Simah kende
ondanks haar in de schoot geworpen rol van ‘echtgenote van de
bibliothecaris te Magelang’, haar plaats temidden van goden
en
geesten en zij hield ze te vriend. We zullen hier in het midden laten,
of zij haar man ervoer als een god of als een geest. Zij onderhield een
goede band met de dukun in de dessa, waar zij opgroeide.
Haar eerste kleinzoon, die bij zijn geboorte al ten dode was opgegeven,
als gevolg van een destijds nog ongeneeslijke bloedziekte, mocht zij
met toestemming van haar zoon, mijn opa, door de dukun, dorpspriester
tevens gebedsgenezer, laten ‘behandelen’. Feit is,
dat
Joseph, die verder als Indonesiër opgroeide, tot aan
de bersiap heeft geleefd. Hij was toen 32 jaar en werd toen om het
leven gebracht door zijn revolutionaire maten. Nadat zij ontdekten, dat
hij een Europese naam droeg, Piette.
Mijn eerste rol op het toneel was die van tomaat. Zonder tekst, 6 jaar.
De opbrengst van de uitvoering was ten bate van het weeshuis op Ambon.
Ik woonde op
het eiland met mijn ouders sinds 1946. De uitvoering vond plaats in
‘de stad’. Ons huis bevond zich een eindje
daarbuiten en
tussen beide plekken stond een bos waar Neneh Luhu rondspookte. Als ik
onze koki mocht geloven. Dat wilde ik niet, maar ik deed het. Een heks
met een paardenpoot, Neneh Luhu. Om de een of andere reden miste ik na
de voorstelling het busje met spelers en ik besloot met kloppend hart
dan maar lopend naar huis te gaan. Een dapper besluit, dat ik ten halve
uitvoerde. Sidderend van angst rende ik terug naar waar men mij al
zocht. Mijn ouders zagen er streng op toe, dat ik mij geen onzin liet
wijsmaken door de bedienden. Dat paste niet in hun streven vooral
Europees te leven, waar het een goede gewoonte was vroom te geloven in
slechts de ene ware God. Wat een armoe, in Indië stikt het van
de
goden. Geen wonder, er gebeuren immers teveel tegenstrijdige dingen.
Die onmogelijk uit de koker van een god kunnen komen.
De goden- en geestenwereld in Indië is in feite een
afspiegeling
van de mensenwereld. Je hebt kwaadaardige geesten, goedaardige,
onschuldige bos- en plaaggeesten. Die lelijke heks zat tussen mijn
oren, weet ik nu. Maar dat was toen beslist geen pretje.
Het land van dat zal wel, dat land van wat jammer
Het zal niet lang meer duren, voordat de laatste persoonlijke
ervaringen van mensen, geboren of getogen in het Indië met hen
in
het graf zijn verdwenen. Zand erover, zal wel, lekker belangrijk. Zelf
kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat veel van wat er over
tempo doeloe in Nederland op schrift is verschenen fungeert als een
vorm van gewetensussing naar aanleiding van wat wij daar allemaal
hebben uitgevreten. Of naar aanleiding van wat wij daar aan grootsch
zouden hebben verricht.
Althans daar is de meeste aandacht naar uitgegaan. Naar boeken, die
voorzichtig en omfloerst dikwijls aan de orde stellen, wat alleen al
het wetenschappelijk polderracisme uit die periode aan emoties heeft
teweeg gebracht. Aan onmogelijke liefde
en groot verdriet tussen twee volkeren. De belanke bezetters en hun als
zodanig beschouwde donkerbruine horigen. Het halfbloed kroop niettemin
waar het niet gaan kon. En een mens is immers geneigd vooral zijn
aardigste herinneringen te bewaren.
Ik heb het niet over Hella Haasse. Zij komt nog het meest integer over
van al die belanda schrijvers en terecht kan zij beschouwd worden, als
de belangrijkste auteur, die zich ooit aan Indië waagde. Met
een
bevroren gretigheid zette ik ergens in de zestiger jaren haar
‘Oeroeg’ op mijn eindexamen literatuurlijst. Niet
alleen
omdat het een snel leesbaar boekje is. Maar ook omdat ik vanuit mijn
verlaten gevoel hier in dit koude kikkerlandje en mijn niet weg te
branden hang naar romantiek getroffen werd door de aandoenlijk
beschreven vriendschap tussen een inlander en een totok.
Maar neem nu de onlangs verschenen historische roman ‘Land
van
zal’ van Elizabeth Nobel en lees: Een rebelse dochter uit
volbloed (Nederlandse) ouders vertikt het om braaf in Holland te gaan
studeren. Rechten in Leiden bijvoorbeeld. Neen, zij gaat er met
zo’n inlander vandoor. Wel heb ik ooit, in dat land van ooit.
Hij
is weliswaar zoon van een sultan, maar toch.
Het krijgt wel wat weg van een regelrechte poging tot rasverminking.
Wah, zij heeft beslist hinder van hechtingsproblematiek, dat wicht.
Gegarandeerd.
Hella Haasse maakt een onderscheid tussen schrijvers die zich Indisch
mogen noemen, zij die zich zo niet mogen noemen, auteurs die hun
ervaringen in de Jappenkampen noteerden en tenslotte de in Nederland
geboren auteurs, kinderen van in Indië geboren ouders. Van
deze
laatste categorie ken ik eigenlijk alleen maar Marion Bloem. Dat komt
waarschijnlijk omdat zij mooi kan vertellen, mooi schrijven en ook mooi
zijn op haar tijd. Anderen die in die categorie thuishoren zijn in
Nederland weinig bekend. Wellicht, omdat zij vooral schrijven of zingen
voor en over de ‘kleine bung’ zoals Marion het zo
mooi kan
zeggen. Dat heeft geresulteerd in een stapel grotendeels genegeerde
boeken. Over de 364.789 verdoolde bootvluchtelingen avant la lettre,
uit de jaren vijftig, die zich minder kunnen bekommeren om eventuele
gewetenswroeging van de verindischte en verdoolde totok. Zulke
wroeging, verhuld in een quasi historische romanvorm krijgt
gemakkelijker aandacht hier in Holland, dat land van jammer. Dit neemt
niet weg, dat Elizabeth Nobel mooi kan vertellen, mooi kan schrijven en
mooi kan zijn, op haar tijd. Haar boek is een juweeltje, zondermeer. Ik
heb het in een adem uitgelezen. Terwijl het werkelijk een pil is van
heb ik jou daar. Net als ‘Land van herkomst’ van E.
du
Perron. Elizabeth hanteert een heerlijk ontspannen maar gedecideerde
stijl, zodat je zonder aarzelen gelooft, dat alles klopt. Zwart op wit.
“ Ik zal, eens zal ik, ik leef nog steeds niet in het nu,
maar in
een ander land” Adoe, tranen met tuiten, ik. Is het nou le
lettre
of la lettre?
Sudah, het is in ieder geval l’amour.
Schone kunsten, vuile
handen
Het begrip schone kunsten veronderstelt, dat deze de emotie van
‘tot deemoedige stomheid geslagenheid’ oproepen.
Dat is
lang zo geweest en nog wel, getuige de kuddes bezoekers van
bijvoorbeeld het van Gogh museum. Moderne kunst kietelt ook andere
emoties, zoals angst, boosheid, maar ook blijdschap. Na de 2e
wereldoorlog heeft langzaam maar zeker, op een bijna Indische manier,
langzaam maar zeker, het idee post gevat, dat kunst dient te provoceren
en in eerste instantie een ongemakkelijk gevoel te geven. Dat is m.i.
slechts ten dele waar. Er is nog andere kunst.
Indonesische kunst was oorspronkelijk het middel om de communicatie met
goden en geesten in stand te houden. Of het nu ging om de schone
kunsten van de Dayaks of om kunst aan
de Javaanse hoven. Een werkelijk kunstwerk was bijna niet van deze
wereld en vulde de ruimte met een zekere goddelijke aanwezigheid.
Voor Nederlandse schilders is Indonesië tijdens de koloniale
periode een onuitputtelijke inspiratiebron geweest, maar dit heeft
slechts zo nu en dan geleid, zoals bij schilderijen van Isaac Israels
en tekeningen van Rudolf Bonet, tot meer dan alleen maar
mooiïgheid. Bonet heeft zich jaren ingezet om de kunst
op Bali te stimuleren. Dat is gelukt. Met name de schilder-kunst bloeit
vandaag op het eiland en ademt dikwijls nog zijn invloed.
Er is nog steeds een overvloed aan oorspronkelijk Indonesische kunst te
beleven in de voormalige gordel van smaragd. Zoals de prachtig
geschilderde panelen in het voormalig gerechtsgebouw van de Balinese
koningen. Niet alleen beeldende kunst, ook de danskunst, vertelkunst,
het edelsmeden en virtuoos houtsnijwerk zijn voorbeelden van hoe de
vorsten kunst gebruikten om de harmonie met de rest van de schepping te
bewaren. En zo doende hun macht wellicht te bestendigen. Menig
kunstwerk heeft in de loop der eeuwen zijn weg gevonden naar een museum
voor schone kunsten in Nederland. Elk zichzelf respecterende koloniale
mogendheid verleende destijds vanzelfsprekende medewerking aan deze
bijzondere vorm van export.
Indonesië is van oudsher het land van vertelkunst. Vertellers,
die
hun verhalen soms met behulp van traditionele wayang kulit tot leven
weten te brengen. Niet gehinderd door westerse logica. Vol spanning,
hilariteit, magie, mysterie en ook woede. Pramoedya Ananta Toer is
zo’n weergaloze verteller. Boeken en verhalen komen niet snel
in
een museum terecht.
Mooie boeken zijn vooral om stil in te lezen. Dans om ervan in
vervoering te raken.
De Borobudur is een ander voorbeeld van een bouwwerk, waar je stil van
wordt. Dit uit steen gehouwen mysterie vertelt in talloze
reliëfs
verschillende levensverhalen van Boeddha,waarin deze net zo gemakkelijk
optreedt als dier, als man, maar ook als vrouw, zelfs als een boom. Het
imposante kunstwerk, ontstaan uit Boeddhistische sferen van begeerte,
heeft zijn schoonheid honderden jaren verborgen gehouden onder de snel
overwoekerende natuur, voordat de moderne mens er sprakeloos van kon
geraken. Andere tempels op Midden Java, zoals de Lara Jongrang in de
buurt van Yokjakarta zijn eveneens rijkelijk versierd. Met als telkens
terugkerende fraaie motieven bijvoorbeeld de Hindoeïstische
hemelbomen. In de uitgebreide collectie van het Rijksmuseum van
oudheden te Leiden bevindt zich zo’n fraaie boom. Hoe de boom
in
hemelsnaam in Leiden terecht is gekomen, laat zich alleen raden. Denk
maar niet, dat het stuk geschonken is door Beatrix. Alhoewel zij veel
met schone kunsten op heeft.
Hoeveel museumdirecties kunnen in navolging van Hugo Claus zeggen:
“Mamma, kijk eens, zonder (vuile) handen”. Het is
misschien
een goed idee, de zich in Nederland bevindende oorspronkelijk
Indonesische kunst terug te brengen naar Indonesische musea. Al was het
maar om het toerisme daarmee weer een beetje op gang te helpen.
‘Lekker belangrijk’, maar het zou een gebaar zijn.
Een werkelijk gebaar.
Het zijn en het niet
In de goeie ouwe tijd maakte niemand zich druk over het milieu.
Waarvoor toch? Er was geen enkel reden om je bezig te houden met
‘Het milieubewust zijn en het niet’. Al het water
dat van
de rotsen naar beneden kletterde smaakte dubbelfris en als het begon te
regenen, nam je als kind maar al te graag in je blote bassie een extra
douchebeurt. De zee was nog nog azuurblauw en kristalhelder. Geluk nog
heel gewoon. Willem Alexander zou zich maar verveeld hebben en gedoemd
zijn een belangrijk deel van zijn tijd te besteden aan wilde
tjelengjacht.
Er werd nog maar zuinig ontbost en ook de jacht op neushoorns of
tijgers had nog geen onrustbarende vormen aangenomen. Dat wil zeggen,
zulke zaken haalden de krant niet.
Ik mocht van mijn ouders onder geen beding in de kali zwemmen. Niet
vanwege de mogelijk erin aanwezige zware metalen. Neen, zij maakten
zich meer zorgen over de gevaarlijke draaikolken, die al menig
slachtoffer onder zelfs geoefende zwemmers hadden gemaakt, maar met
name over de lichtere bestanddelen, die in de rivier dobberden. Jan en
aliman deden immers hun behoeften toen nog vrolijk en onbekommerd in de
kali. Hetgeen een onophoudelijke aanvoer van donkerbruine
ongerechtigheden teweeg bracht. Ik hield mij al als klein jongetje
bezig met de prangende vraag ‘Waarom iets op water blijft
drijven
en andere objecten weer niet’. Ook met vragen over
‘Het
anders zijn en het niet’.
Van Archimedes had ik nog geen weet, noch van Jean Paul Sartre. Wel van
ondeugend zijn en het niet, maar vooral van de zucht naar sensatie. Het
gevaar van de draaikolk, naast het gezonde toch doen wat beslist
verboden is, kende een grote aantrekkingskracht. Bungi jumpen was in
mijn jeugd ‘not done’. Alhoewel er voldoende rubber
in het
land werd geproduceerd. Het was de kunst om zo lang mogelijk met de
kolk mee te draaien en er dan net op tijd uit weg te zwemmen. Dat lukte
keer op keer. Een belangrijk argument voor mijn moeder bij de keuze van
een huwelijkspartner was destijds, dat mijn vader uit ‘een
goed
milieu’ kwam. Behalve dat hij er goed uitzag, athletisch en
gezond ( jammer, dat hij zo donker was uitgevallen, minpuntje )
bewoonde zijn familie een prachtig huis, en hielden zij er een auto met
chauffeur op na. Een Javaanse jongen. Hij bestuurde een dikke
zwartkleurige Dodge, die regelmatig compleet met een onwaarschijnlijk
zwarte rookwolk de rust verstoorde in het zo ingeslapen Malang. Samen
met de overige zeventien particuliere motorvoertuigen in de omtrek
produceerde de bolide, die volgens mijn grootvader op het rechte stuk
soms wel een snelheid van 72 km. per uur bereikte, nauwelijks
luchtvervuiling noch geluidsoverlast. Dat wil zeggen, zulke kwestie
haalden de krant niet.
De kali was, net als in
de meeste andere Aziatische landen, het druk bevolkte en levendig
sociale centrum van vermaak en algemeen nut. Voor meisjes, die zich in
de kali giechelend en spetterend wasten, of voor hun moeders, die er
dagelijks de was en de afwas deden, hadden wij nog weinig tot geen
aandacht. Wij jongens verdiepten ons geen halve seconde in
milieukwesties. ‘Het zijn en het niet’, dat was
toen vooral
nog de kwestie. Het Indisch zijn, of het niet. Indische jongens waren
in staat gemiddeld 17 meter langer onder water te zwemmen, dan hun
Hollandse schoolvriendjes. En dat was maar één
van de
flagrante verschillen.
Molukse dagen en
Groninger worsten
Het zal in de vroege ochtend van de 14e maart in het jaar 1501 zijn
geweest, dat de eerste Portugese schepelingen voet aan wal zetten op
het eiland Buru. Zij worden onmiddellijk de walm van pala en kruidnagel
gewaar, geraken ‘high’ en beginnen spontaan een
fado te
kwelen. De andere scheepjes van de vloot varen verder en de baai van
Amboina binnen. Het duurt niet lang, of in het Groninger Winsum maakt
de keurslager de eerste echte Groningse worst.
Nemen de Nederlanden, waar het de typisch Molukse specerijen betreft,
aanvankelijk genoegen met de rol van distributeur in Europa, al snel
besluiten ze het spul zelf te gaan halen. Als je een en ander dan
uiteindelijk door Jan Pieterszoon Coen laat coördineren,
vallen er
dooien. Niet een of twee, complete dorpen zijn platgebrand en
uitgemoord. Adoe, keurslager, deze si Coen.
Wij weten het inmiddels, dergelijke praktijken zijn de mens eigen. Voor
het economisch gewin gaan wij over lijken. Echt trots kunnen we er niet
op zijn. Coen heeft in ieder geval God aan zijn zijde in de strijd
tegen ‘dat swarten en so bloodt volck’. Dat volk
neemt in
een later stadium opmerkelijk genoeg niet alleen zijn God aan, maar ook
massaal dienst in hetzelfde leger, waardoor het ooit zo meedogenloos
werd afgeslacht. Het Molukse soldatenvolk, van oorsprong vissers en
landbouwers, weigert in Indonesia te ontwapenen en blijft na de
souvereiniteits-overdracht het rood wit blauw
en oranje blindelings trouw. Trouw tot in de klamme barakken van
woonoorden als Finsterwolde, Marum of Ooststellingwerf. Het ideaal van
de RMS broeit daar vooralsnog in de strokisten.
Gevoelig voor een dergelijke blinde trouw zoeken ‘de Heren 17
van
Den Haag’ in de woelige jaren vlak na de oorlog koortsachtig
naar
machinaties om in de Oostelijke helft van Indië een vinger in
de
pap te kunnen behouden. Een koloniale mogendheid verliest zijn haren,
maar zelden zijn streken. Nooit. Nederland stuurt vandaag troepen naar
Irak.
Daar ligt immers een bel olie van hier tot Tokio, die bescherming
verdient. 10% Mag sneuvelen, is de sinds Jan Pieterszoon gehanteerde
norm.
Onder de activiteiten, die de overheid van het op sterven na dode
Indië ontplooit, behoort de vestiging van een
‘Zeevaartschool voor lagere zeelieden’ op Ambon.
Die is
immers in een handomdraai om te bouwen tot een marinebasis. Mijn vader
is er enkele jaren leraar werktuigbouwkunde geweest. Ik heb in Ambon
stad de lagere school bezocht en heb er uit pure verveling samen met
mamma, zwanger van Josta en voor de oorlog Fröbeljuf, van
kruidnagels een VOC-scheepje gebouwd. Daarna fort
‘Victoria’, het hele huis rook
ernaar.”Bau
cingkeh”, klaagt de babu. Broertje Olaf knikt met zijn
‘kepala botak’ zoals gewoonlijk instemmend.
Werkelijk zo
kaal als een muskaatnoot, si Olaf. Eigen schuld.
Wreed heeft hij hier op Ambon mijn rust van ‘enig
kind’
verstoort. Dan is er ook nog een zusje op komst en dat allemaal dankzij
mijn vader, die zonodig gezond en veilig moest terugkeren uit Japans
gevangenschap. Hij was getuige van de bommen boven Hiroshima en
Nagasaki. “Als ze die niet hadden gebruikt, zat ik hier
niet”.
In Holland. Verstand van politieke verhoudingen heb je als kind
natuurlijk niet. Gelukkig maar, anders zou ik nooit zo argeloos hebben
durven zwemmen in het kristalheldere water van de baai van Amboina.
Waar wegroestende wrakken van Japanse landingsvaartuigen nog herinneren
aan de oorlog waarin ik het schelle levenslicht mocht aanschouwen,
terwijl vanuit de lucht Indonesische parachutisten proberen te landen.
Het enige dat mij opvalt, is dat aan de poort van Zeevaartschool OSM
afwisselend
de Nederlandse vlag, de Indonesische en die van de RMS wappert. En dat
in de stad en passant de Chinese wijk wordt platgebrand. Rondom klinkt
regelmatig vijandelijk en soms vriendelijker vuur. Voor een kind is dat
spannend genoeg. Bijna net zo spannend als de oude lelijke heks met een
paardenpoot, die volgens zeggen in
het grote donkere bos achter de OSM rond hekst.Voor mijn vader is er
geen lol meer aan. Tempo Dulu komt echt nooit meer terug, we vertrekken
voorgoed naar Holland. Van de weeromstuit stemt hij hier op de VVD en
niet op
de Pv/dA, die Indië immers gewoon aan die Javanen heeft
verkwanseld. Mij maakt hij uit voor communist. Hij en ik hebben vanaf
zijn terugkeer uit Japan jaren achtereen een gespannen verhouding
gekend. Het is hem een doorn in het oog, dat ik gretig Indonesische
postzegels verzamel en zelfs die van de Republik Maluku Selatan. Het
zal in de vroege ochtend van de 14e maart in het jaar 2001 zijn
geweest, dat ik wakker word en besef, dat ik in een land woon, waar
treinkapingen gelukkig tot het verleden behoren en waar alleen de
Molukse dag op de Pasar Malam ons er nog enigermate aan herinnert, dat
Jan Pieterszoon in de Molukken ooit iets groots voor ons heeft
verricht. Hij verdient een standbeeld. Pleinen en tunnels, die naar hem
worden vernoemd. Die man mogen we beslist niet vergeten. “Da
moe
lukken”, mompelt de keurslager van Winsum, terwijl hij een
handje
extra kruidnagelpoeder door zijn worstenvulsel mengt. Ik heb daar op
Ambon in zee zwemmen geleerd van een hondje uit de nabije Kampong
Waynitu. “Da moe lukken”, blafte hij me, zolang dat
nodig
was, toe. Dat waren nog eens tijden.
Verdriet gaat bijna altijd over iets wat nooit meer terugkomt.
Tropische gewassen
Zelf geen verwoed tuinman en eerder geneigd om, net als in mijn werk,
ontwikkelingen eerder belangstellend gade te slaan zonder al te snel in
te grijpen, zijn de stukjes grond, die ik geacht word tot mijn tuin te
rekenen, eufemistisch te omschrijven als ‘wilde
tuinen’.
De brandnetel wordt over het algemeen beschouwd als een gewas, waar
niemand ook maar enige behoefte aan heeft. Ze groeit naar men zegt bij
voorkeur op onvruchtbare plekken in de tuin. Onkruid. Zevenblad is een
ander geducht gewas. Vrijwel niet uit te roeien, mocht je ooit het
ongeluk meemaken, dat het kruid vaste voet in je tuin krijgt.
Zelf ervan overtuigd, dat er geen overbodige gewassen bestaan, doet het
me werkelijk deugd, dat mij somtijds een kop dampende brandnetelsoep
wordt aangeboden. Een aanbod, dat ik Indisch beleefd afsla ondanks de
verzekering, dat de brandnetelsoep vele bruikbare vitamines bevat. Een
plakje brandnetelkaas daarentegen sla ik zelden af. Al wordt mij die in
de postmoderne tijden van dwergbroccoli en lenteui nog maar nauwelijks
opgedrongen.
Ook zevenblad blijkt bij nadere bestudering op internet heel goed
eetbaar. Klop ‘zevenblad’ in op Google en binnen de
kortste
trekt een keur aan recepten met het kruid als ingrediënt aan
je
voorbij. Bijvoorbeeld te gebruiken als een soort spinazie. Wel heb ik
ooit. Zevenblad, dat ik toch tot voorkort slechts kende als een
Kema-gekeurd onkruid. Opnieuw voel ik mij gesterkt
in de in jongere jaren postgevatte opvatting, dat er geen overbodige
gewassen bestaan.
Deze opvatting heb ik hoogstwaarschijnlijk in mijn geboorteland
ontwikkeld, waar de aanwezige flora onder invloed van de immer
aanwezige koperen ploert onwaarschijnlijk snel voortwoekert en zich
daar zelfs dagelijks nog onstuitbaar lijkt uit te breiden in soorten en
getal, zodat alle gewassen er desondanks net zo toe doen en erbij
horen, als de al even grandioze tempels en paleizen op Java. En de
bommen en granaten van Ollie B. Bommel.
Elk gewas, mits op
de juiste wijze geprepareerd, lijkt wel te kunnen dienen als middel
tegen de meest zeldzame kwalen, die een mens zich maar inbeelden kan.
Ook daarin was Indië en is nu het moderne Indonesia een
overdadig
rijk land. Tegenwoordig met fabrieksmatig geprepareerde jamu jamu.
Wereldwijd verspreid. In de verre van wilde tuin van mijn ouders, die
immers door de kebon werd onderhouden, kwam ik ook de meest
sprookjesachtige bloemen tegen. Waaronder de canna met haar felkleurige
bloeiwijze in onbeschrijflijk intense tinten rood, oranje en geel. Het
glazuur sprong bijna van je tanden bij het zien en genieten van die
kleurenpracht.
Een papje gemaakt van fijngestampte zaden van de canna , zou een
probaat middel tegen hoofpijnen zijn, bij louter uitwendig gebruik. Men
dient het papje namelijk op het voorhoofd aan te brengen. Dat zoiets
vooral liggend op je bed met succes kan worden toegepast, doet mijn
gezonde achterdocht eraan twijfelen of het papje verantwoordelijk is
voor een succesvolle pijnbestrijding of het ermee gepaard gaande bed
houden achter geblindeerde vensters. Rust blijkt meestal immers nog het
beste medicijn te zijn.
De Canna Indica zou verwant zijn aan zowel de gemberachtigen
als aan de banaanachtigen. Wel heb ik ooit. Dat laatste zou men
bijvoorbeeld kunnen afleiden uit de bladeren van de canna, die sterk
lijken op het pisangblad. Laos, oftewel de ‘knikkende
galanga’, die zoals u niet zal verbazen eveneens behoort tot
de
gemberachtigen, werd door de firma Conimex in de jaren vijftig hier in
Holland geïntroduceerd en komt men vandaag de dag in elke zich
zelf respecterende huis- tuin- en keuken- keuken tegen. En wie kent
niet de smakelijke pisang Ambon, die vingerachtige banaan waar een
smakelijk likeurtje van is te bekokstoven.
In sommige keukens komt men nog een stopfles met vanillestokjes tegen.
Echte vanillevla bereid met echte vanillestokjes en vooral met
vanillezaadjes eraan toegevoegd is overheerlijk. Lichtjes aangebracht
op het voorhoofd wellicht werkzaam tegen migraine, maar dat kan ik mis
hebben. De vanille is een zogenaamde aardorchidee met prachtige groene
orchideeën. Mijn moeder hield in Indië niet de tuin
bij, maar
kweekte wel met moederlijk geduld haar wilde orchideeën, die
aan
korte stammetjes in rij op de voorgalerij prijkten. Papa bracht ze voor
haar mee op zijn bootreizen van Buru tot Merauke. Die
orchideeën
waren haar trots en Mama maakte overigens de heerlijkste vanillevla van
gans de Gordel van Smaragd. De liefde voor tropische gewassen gaat net
als vele andere liefdes veelal door de maag, als je het mij vraagt. Of
dat op den duur ook gaat gelden voor brandnetels en zevenblad, zal de
toekomst uitwijzen. Mijn wilde tuinen in Holland staan er vooralsnog
vol mee.
Tweederangs Inburgeren
Jan Pieterszoon Coen heeft God aan z’n zijde in zijn
persoonlijke
kruistocht tegen ‘dat swarten en so bloodt volck’.
Hij
meent in zijn onnozelheid het door God uitverkoren instrument te zijn,
om ‘die trouloze Mooren’ af te straffen. Een
Mohamed meende
God aan zijn zijde te hebben in zijn strijd tegen die onbesneden blanke
thaguthonden, die naar zijn idee opnieuw een kruistocht zijn begonnen
tegen de oprukkende Islam. Mohamed is alweer zo’n
Cupmarokkaan,
zo’n ordinaire geitenbeuker geboren in dit lage land. Waar je
godzijdank vrijelijk voor je mening mag uitkomen, Holland. Een duizelig
makend paradijs voor Indo’s, immers het is een aanlokkelijke
vrijheid, die van meningsuiting, waar zij doorgaans geen gebruik van
durven maken.
Zelf ben ik zo’n beleefde Indische jongen gebleven, die in
zijn
frustratie jegens de hooghartige belanda nooit verder is gegaan, dan
hem binnensmonds voor ellendige ‘kaaskop’ uit te
schelden.
Niet elke belanda is hooghartig, ik weet.. Maar wel de jongens en
meisjes
van het R.K. Lyceum in Hilversum, die laatdunkend op mij neerkijken,
als ik in 1953 beschaamd rondloop in
een versleten drollenvanger. In schril contrast met hun, die gehuld in
een pantalon van C. of A. Brenninkmeyer, ontspannen de hockeywedstrijd
van afgelopen zondag doornemen. De drollenvanger werd mij uitgereikt
door DMZ, die aan de repatrianten ruimhartig een baal vodden ronddeelde
uit de overgebleven kleding, oorspronkelijk ingezameld ten behoeve van
de Watersnoodrampslachtoffers. Adoe, mooi scrabblewoord, deze.
Een veelbelovende Inda pinda Poepchinees, de cupmarokkaan avant la
lettre, in een donkerblauwe ‘plusfort’, die als hij
een
beetje zijn best doet het nog wel tot procuratiehouder van de
Friesch-Groningsche Hypotheekbank kan brengen. Niemand wil geloven, dat
hij in staat zou zijn geweest iemand koelbloedig om te leggen als
reactie op
een neerbuigende bejegening door een volk dat nu eenmaal gewend is voor
zijn mening uit te komen. Bijvoorbeeld de mening, dat die
Indo’s,
die onbeschaamde roetmoppen, de nog schaarse nieuwbouwwoningen
wegkaapten voor de neus van onze oorlogshelden zojuist teruggekeerd uit
de oorlog in Korea.
Ik heb het geluk gehad, dat niet
de een of andere Indische moefti handig insprong op de diepe
verslagenheid waarin ik als verdoold jongmens terechtgekomen was als
gevolg van de maar durende neerbuigende bejegening, waaraan ik mij 24
uur per dag blootgesteld voelde. Men leerde mijn moeder
‘piepers
te jassen’ en mijn vader kolen te scheppen om de kachel mee
aan
te maken. Inburgeren heette toen nog assimileren.
Ik had het geluk, dat mijn ouders, gestaald tijdens ‘tempo
doeloe’ ons voorleefden, dat je een belanda maar het best in
zijn
onnozelheid kon accepteren. Niet elke cupmarokkaan of geitenbeuker kent
die weelde. En waarachtig, als het je lukt de ander te accepteren in
hoe hij nu nog is en nog veel te lang daarna, als dat je lukt,wordt je
ten langen leste ook geaccepteerd. En maakt men ten langen leste een
simpel gebaar van goede wil. Het Gebaar.
Gelukkig is niet elke belanda zo hooghartig of zo openhartig als die
volgevreten tjiftjaf zonder kop. Niet elke veelbelovende Marokkaanse
jongere is gewelddadig. Indische jongens zijn vooral beleefd. De
meisjes trouwens ook. Indisch beleefd zonder na al die jaren merkbaar
gemakkelijker voor hun mening uit te kunnen komen. Jan Pieterszoon was
vrijmoedig van mening ‘dat hij de Bandaneesen sonder enig
aensien
doot moet slaen dewyl het maer swarten ende bloodt volck is’.
Toen waren er al mensen, die daarover van mening waren,
“dattet
met gematichder middelen hadde connen beslist werden, ende dat men de
geslagen wonden met alle sachticheyt moet soeken te
verbinden”.
De overheid werkt koortsachtig aan een veiliger Nederland en maakt over
50 jaar het gebaar.
.
Een verbloeding in de
hersenen
Mijn moeder is te jong gestorven. Ik ben nu alweer 8 jaar ouder dan de
leeftijd die zij destijds bereikte. Het verhaal wil, dat zij in dit
koude kikkerlandje niet goed kon aarden. In werkelijkheid werd zij
geveld door een CVA,
a cerebral vascular accident, een hersenbloeding.
Van wat de onvolprezen Tjalie Robinson over het oorspronkelijke
Indië noteerde, kan ik maar niet genoeg lezen en steeds maar
weer
herlezen. De taal die hij gebruikt is treffend, maar vooral mooi.
Volgens hem zou mijn moeder het slachtoffer zijn geweest van een
‘verbloeding in de hersenen’.
De taal, die Tjalie in zijn boeken hanteert, is ook de taal die ik mijn
ouders hoorde gebruiken. Dat was weliswaar door de bank genomen correct
Nederlands, maar een ander soort Nederlands, dan ik hier in Holland
leerde zeggen en schrijven. Een ander soort Nederlands met koppig
behoud van allang in onbruik geraakte woorden. Indisch Nederlands. Met
zovele woorden, die in de Grote van Dale niet of niet meer voorkomen.
Zeker niet die woorden, die in een soort klanknabootsing iets proberen
te beschrijven. Zo klinkt een held op sloffen vaak als ‘sles,
sles, sles’. Een Indo op skies als ’sret, srot,
sret,
srot’. De verkoop van overtollig huisraad, die vandaag de dag
via
marktplaats dot com plaatsvindt, heet bij ons een vendusie of een
venduutje plegen. De fundamenten van
een huis noemen wij ‘basementen’. Als wij het al
over
fundamentele kwesties hebben met elkaar, want lekker eten en
leedvermaak blijven aan de top staan van favoriete gespreksonderwerpen.
Een beschadigd voorwerp werd niet gelakt, maar
‘verlakt’.
Mijn moeder kon ik niet verlakken, hield zij me voor en waarachtig soms
meende ik, dat zij helderziende moest zijn. Afgaand op de streken, die
ik uithaalde, waar zij telkens weer allang van op de hoogte bleek te
zijn. Zelfs als ik nog uithalen moest.
Verlakkerij, daar was Mama niet van gediend. Dan mepte zij me, geheel
in de stijl van de nog gangbare autoritaire opvoedingsstijl, met een
houten lepel totdat die op mijn arm brak. En wee mijn gebeente, als ik
het waagde te ‘retireren’.
Zij was er ook niet van gediend, dat mijn vrouw blootsvoets over straat
ging. In de zestiger jaren was dat heel gewoon onder het meest
vooruitstrevende deel van Holland, waar mijn vrouw zich toen nog toe
rekende. Te gek om los te lopen, was mijn moeder van mening.
Die jaren van de antiautoritaire opvoedingsstijlen. “Moet je
zien!”, riep Mama met afgrijzen uit.
Een zenuwoverspanning nabij, “ze lijkt wel een
Javaanse”.
‘Blootvoetig’, zegt Tjalie en hij is het met me
eens, dat
mijn moeder er ‘de bolen’ ( afgeleid van voetbolen
en dat
weer van het Franse ‘football’. Of misschien gewoon
van het
maleise ‘main bola’. ) van snapte. Van de moderne
tijden in
Holland. Als ik dan met Mama in discussie wilde en vroeg naar het
waarom van haar resolute afwijzing van onze pas verworven losse
levensstijl, antwoordde zij steevast en zonder mankeren met
“Laat
maar eerst waarom” . En Ingrid? Zij snapt nul en zwijgt maar
stil.
Misschien overdrijf ik enigszins, als ik een onderscheid maak tussen
Indisch Nederlands en gewoon Hollands, waar verder geen woord Frans bij
is. Maar Mama zou vandaag 89 zijn geworden en ik moest opeens aan haar
denken.
Die eerste generatie is vrijwel niet meer. Dat is jammer, want daarmee
is ook een vertrouwd geluid verdwenen.
Mijn moeder zou zeggen, dat zij hier niet goed kon aarden en destijds
onverwacht is overleden aan een verbloeding van de hersenen. Gelukkig
zijn hier en daar nog boeken te krijgen van si Tjalie.
Korte metten
In het oude Indië was het bij wet geregeld, dat een Indische
werknemer per maand 500 guldens minder verdient, dan iemand met gelijke
papieren in Holland behaald. Althans bij de Gouvernements Marine, waar
mijn vader
een betrekking had als 2e werktuigkundige. Elk weldenkend volbloed mens
begreep indertijd, dat een diploma behaald op de ambachtschool in
Loppersum meer waard is, dan hetzelfde diploma behaald in Soekaboemi.
De minister van justitie wil het toejuichen van en het aanzetten tot
terroristisch gedrag bij wet verbieden.
Elk weldenkend volbloed medeburger zal het met de minister eens zijn.
De toevoeging ’geitenneuker’ overigens, als we het
hebben
over een moslim, behoort tot onze al tijdens de 80-jarige oorlog
zwaarbevochten verworvenheid van vrije meningsuiting.
De politionele acties waren destijds bedoeld om orde en rust in
Indië te herstellen en gingen de oorlogen in Vietnam en in
Irak
daarin voor. De rust en orde ten tijde van Tempo Doeloe hadden
ontegenzeggelijk zo hun voordelen. Rust en (rang-)orde schiepen daar
duidelijkheid. Mijn vader vond het heel gewoon, dat hij maandelijks
enkele honderden guldens minder ontving, dan zijn blanke collega. Zo
hoorde ik hem tijdens een verjaardagsfeestje aan onze Friese buurman
uitleggen, dat ook hij Nederlander is. ‘Weliswaar een van een
mindere soort’ , voegde hij eraan toe, terwijl hij buurman
een
volgend biertje, een risolles en een pasteitje offreerde. Een Indisch
pasteitje. “Die maakt mijn vrouw zelf”. Mijn vader,
halfbloed hij, begreep, dat zijn blanke collega maandelijks 1778
guldens verdiende en hij 1271. Dat was bovendien bij wet geregeld. Wat
wil je? Bij wie moet je je beklag daarover doen? Een inlander verdiende
vergelijkenderwijs 122 guldens.
Mijn vader begreep waarom, de inlander niet en deze kwam uiteindelijk
in opstand. Die inlander is nu Indonesiër en woont in zijn
onafhankelijke land, samen met nog 80 miljoen andere geitenneukers. Ik
zal het wel uit mijn hoofd laten
het voornemen van onze minister ter discussie te stellen. Ik kijk wel
uit. Want ik begrijp bovendien hoe mijn oude heer al dat soort
kolonialistische kwesties begreep, zoals hij ook het werpen van
atoombommen op Hirosjima en Nagasaki toejuichte. Hij zat op dat moment
immers knijp daar in Japan. Een Indo kiest per definitie liever gezoute
eieren voor zijn geld en wacht beleefd met zijn beklag tot een ander
eindelijk ‘het gebaar’ maakt. Daar mogen
allochtonen een
voorbeeld aan nemen.
Hete hangijzers bij wet regelen schept duidelijkheid, over wat wel en
niet gewenst is in een beschaafde samenleving. Door mensen gemaakte
wetten benadrukken vaak angst en paniek en tegelijkertijd, dat het om
zaken gaat, waar men zich wel of niet aan kan houden. Ook hij, die met
bommen en granaten onschuldige burgers treft, verkeert volgens mij in
een onvoorstelbare staat van angst en paniek. Ik kan me vergissen.
Saaier zijn natuurwetten, daar valt niet aan te ontkomen De tsunami
komtonherroepelijk, als aan alle voorwaarden is voldaan. Werp honderd
keer een steen de lucht in en hij komt 98 keer weer naar benee. Onder
de dwingende invloed van de wet op de zwaartekracht. Terrorisme en
andere vormen van gewapende opstand steken de kop op als aan alle
voorwaarden is voldaan. Voor minimaal de helft leveren politiek,
overheden en andere wettenmakers de voorwaarden, heb ik wel eens het
idee. Het is maar een idee en geen wet van Meden en Iraniërs.
Toen mijn vader merkte, dat zijn Friese medelander bij het opscheppen
van de Indische maaltijd tamelijk veel sambalan peteh op zijn bordje
had genomen, zag mijn vader zich genoodzaakt buurman te waarschuwen
voor de gevolgen van het consumeren van de petehboon. Die boon maakt
gegarandeerd korte metten met je, voor tenminste de komende 3 weken.
Neem er flink veel van en aan alle voorwaarden is voldaan.
Meisjes met rode haren
Het ijs aan de poolkappen smelt onrustbarend snel. Binnen enkele
tientallen jaren lopen er geen roodharigen meer op aarde rond. Deze en
nog veel meer wetenswaardigheden worden door knappe koppen voor ons
berekend. Het gen dat de roodharigheid bevordert zou volgens genetici
in steeds belangrijker mate in werkzaamheid worden tegengewerkt door
aan invloed winnende andere genen.
De Oostenrijkse Augustijner monnik, Gregor Johann Mendel (1882-1884)
die de ‘Wet van Mendel’ ontdekte ( hee, daar hebben
we
waratje de wet van Mendel), betreffende het overerven van eigenschappen
door opeenvolgende generaties, wist van geen genen af. In navolging van
de monnik, die zich behalve met bidden blijkbaar ook met Gods schepping
kon bezighouden, mochten wij op de middelbare school experimenteren met
langvleugelige en kortvleugelige bananenvliegjes.
Om zo te leren, dat langvleugeligheid dominant is over
kortvleugeligheid. Dat wist de leraar biologie natuurlijk al zelf, maar
hij wilde graag, dat de ‘spes patriae’er eveneens
kennis
van nam. Zo leerde hij ons verder, dat bruin dominant is over blank.
Voor wat betreft de kleurzetting, benadrukte hij, maar dat hoorde ik
toevallig niet.
Zelf heb ik de experimenten later vlijtig voortgezet en heb twee
kinderen weten te verwekken bij een Indische en twee bij een belanda
vrouw. Met beider instemming overigens in opeenvolgende huwelijken. Wat
schetste mijn verbazing, toen het bij beide moeders een blond en een
getint kind betrof. Zelf weet ik dit aan het toverbalachtig karakter
van mijn voortplantingsorganen. Immers als een Indisch zaadje besluit
te gaan met een Indisch eitje,
of met een Hollands eitje, dan wordt het geheid een getint kindje. Maar
ik bleek tevens in het bezit van blanke zaadjes, evenals mijn Indische
echtgenote beschikte over blanke eitjes. Vandaar waarschijnlijk. Hoeven
we niet aan de melkboer te denken..
Het ijs aan de poolkappen smelt onrustbarend snel, maar dat zou niets
te maken hebben met ons slordige omgaan met het milieu, beweert alweer
een ander knappe kop. Hij hanteert daarbij
een bewijs uit het ongerijmde, door erop te wijzen, dat in de lage
landen ooit een ijstijd regeerde. Binnen enkele tientallen jaren zal de
roodharige van het toneel verdwenen zijn. Maar hoelang zal het nog
duren tot de laatste Indo voorgoed tussen de coulissen verdwenen is? De
tekst, die mijn zoon op T-shirts drukt, ’Dat ene zit nu
eenmaal
Indo genen’, is hopelijk onjuist. Als de moderne genetici
gelijk
hebben, zal ook het Indogen op zeker moment overvleugeld worden door
langvleugelige en dominante andere genen. En dat zou jammer zijn, al
kan ik niet goed uitleggen, waarom dat jammer zou zijn.
”Jammer immers”, zou mijn oma naar voren brengen,
”van al die gezelligheid, sateh kambing, krontjong betawi en
Indorock?” En ik voel met haar mee.
De tachtigjarige oorlog is al meer dan 500 jaar geschiedenis. In die
tijd zal er naast oorlog voeren, toch ook flink gemendeld zijn door de
Spanjolen. Niemand maakt zich tegenwoordig nog druk over het
significant meer voorkomen van donkerharigheid in onze zuidelijker
provincies in vergelijking met de andere. Vergeten we even de slag bij
Heiligerlee. Wat Indo’s betreft wordt er iets korter
gemendeld,
laten we zeggen vanaf de periode van de VOC. De heren kwamen zogenaamd
voor peper en nootmuskaat, maar ondertussen. Zij wilden ook wel eens
mendelen. Niet wetende,
dat donker dominant is over blank. ‘Helaas,
katjangkaas’.
Los van dit al kan ik mij toch niet aan de indruk onttrekken, dat het
publiek op de diverse pasar malam met de jaren bleker wordt. Dat stemt
mij treurig,
Mijn eerste vriendinnetje had prachtig lang rood haar. Verdriet gaat
bijna altijd over wat niet meer terugkomt.
Zij was werkelijk een schat, zij. Ook al was zij brildragend.
Tegenwoordig laat je die ogen eventjes laseren, klaar.
De wetenschap is knap. Knap verwarrend soms.
De Indische avonden
Geen boek van G.K. van het Reve noch van Adriaan van Dis, maar ze waren
legendarisch die ‘Indische Avonden’.
En schijnbaar stukken minder somber. Ze geven daar van alles, Indorock,
lemper waar je je bek aan brandt, tjendol, risolles en tussendoor
afwisselend jiven en slijpen natuurlijk. Gezellig. Oude herinneringen
ophalen uit Tempo Doeloe
Reve won precies 60 jaar gelee met zijn boek ‘De
Avonden’de
Reina Prinsen Geerligsprijs. De jury meende, dat Simon zich durfde
uitspreken. Niet een willekeurige zielsgeschiedenis, maar ‘De
Avonden’ beeldt uit, wat die naoorlogse) tijd, die alle
illusies
vermoordde, de jeugd heeft aangedaan. Nah, itu dia.
Toen ik een jaar of 18 was, had ik nog geen enkele belangstelling voor
mijn roots. Ik las ‘De Avonden’, trok een zwarte
coltrui
over mijn kop en luisterde naar Art Blakey and the Jazz Messengers. Ik
had van thuis immers de strikte opdracht gekregen me aan te passen. Ik
luisterde tussen de bedrijven door toch ook graag naar Tjo de Fretes en
Rudi Wairata and the Amboina Serenaders. Ik had tenslotte de laatste
jaren van mijn vroegste jeugd op Ambon gewoond. Maar daar bleef het
bij. Niks zoeken naar mijn roots. Al noemde de gymlerares op de
middelbare school mij ( liefkozend? ) ‘Rootmob’. Er
rinkelde geen mobieltje.
Mijn oudste, Micha, begon op een gegeven moment allerlei vragen te
stellen over mijn komaf. Aanleiding voor mijn eerste boek
‘Tempo
Doelloos’. Het eerste van
een reeks. Er ging toen een kraan open, die zich niet meer liet
sluiten. Roy werd wakker gemaakt door zijn zoon, jah illah, hoe toch
dese? Niet eerder dan precies een jaar geleden, ruim 50 jaar na mijn
aankomst in de haven van Rotterdam, Negri Belanda, kwam ik ertoe
eindelijk naar mijn geboorteland Indonesië terug te gaan.
Vliegangst, weet je? Voor een luttele 10 dagen maar. Niettemin een heel
aangrijpend weerzien. Zien. horen, ruiken, proeven en vooral voelen.
Weer thuis voelen. “Hier kom ik vandaan”, zinderde
het
voortdurend door mijn lijf.Het aantal Indische avonden is in de loop
van de jaren sterk afgenomen. De oudjes zijn al stokoud of niet meer.
De overigen bezoeken echter nog in groten getale de kumpulans zoals
Pelita die overal in den lande organiseert. Veel jongeren zie je er
niet. Toch raakt elk Indokind op zeker moment benieuwd naar
“Waar
kom ik eigenlijk vandaan?”
Zij hebben tegenwoordig hun eigen feestje. Met een heuse DJ. Maar net
als destijds in Indië, tot in de vroege uurtjes. Het
‘Pindakaasfestival, dat begin 2008 zal plaatsvinden, is een
mooie
poging om meer diepgang te geven aan de vooral nog oraal gebleven
speurtocht (lekker makanmakan) van de 3e generatie Indo’s. in
de
leeftijd
van pakkem beet 13 tot 44 jaar, naar hun roots. Nasi Idjo in het Oosten
van dit land is ook zo’n voorbeeld van
een initiatief voor de jongste generatie, dat ik een heel warm hart
toedraag. In 2003 opgericht hebben zij in hun doelstellingen staan het
levend houden van de Indische identiteit door de jongste generatie met
de oudere generaties als aanspreekpunt.. Binnenkort ga ik weer naar
Indonesia. Met mijn oudste dochter, die hier geboren is. Tot voor kort
hield zij zich nauwelijks bezig met haar Indische komaf. Zij kan wel
lekker koken, vooral ook Indisch koken, maar veel verder ging haar
belangstelling tot nu toe niet.Ik weet bijna zeker, dat Tamara daar ook
veel herkenning tegen het lijf zal lopen. Als je wilt weten waar je
vandaan komt, ga er dan heen. Gampang.
Djagoeng
Vakantie is aan mij niet besteed. Sinds wij volgens mijn vader in
Holland vakantie gingen vieren, om nooit meer terug te gaan. Die leugen
ben ik niet te boven gekomen. Het noodlot wil dat ik altijd een baan
heb gehad, die mij in, om en nabij augustus 6 weken vakantie opdringt
en daarnaast om de 8 weken nog eens een mini vakantie van een week. Tot
overmaat van ramp mag ik over binnenkort voorgoed met vakantie.
Hopeloos werkelijk. Had ik maar een eerlijk vak geleerd.
Scheepstimmerman, of nog beter Bereider van Italiaans ijs.
Om niet toch in de verleiding te komen om op zwarte zaterdag met hele
volksstammen tegelijk in de file naar het Zuiden te gaan staan, heb ik
mij aan het wad in Noord Groningen een arbeidershuisje
toegeëigend. In de vakantie rag ik tussen mijn reguliere
woonplek
en dat vakantiehuisje heen en weer. Een paar dagen hier en een paar
dagen daar. Telkens kan ik dan zeggen: Kom, ik ga maar weer eens naar
huis”. Zo’n Italiaanse ijsbereider schijnt
overigens maar 6
maanden per jaar te bereiden. Ik moet er niet aan denken.
‘Buytensorgh’ heet het lustoord toepasselijk en
onderweg
naar huis kom ik hier en daar een veldje djagoeng tegen. De jonge mais
is heerlijk voor in de sajoer lodeh, de prachtige reuzenkolven
geroosterd boven een arang vuurtje, membakar, of eenvoudig in water
gekookt met een snufje zout weet je, merebus, wadoe een ware lekkernij.
En ken je de frikadel djagoeng? Een ideetje voor de
vegetariër,
maar beslist niet alleen voor hem. Is het waar, dat een Indo, zelfs als
hij een column aan het schrijven is, automatisch en ongemerkt op eten
uitkomt? September 1950 met verlof naar Holland gekomen en nooit meer
een keer terug geweest.Een schande volgens sommigen, onbegrijpelijk
volgens weer anderen. De mensen kennen mij niet van binnen. Om maar te
zwijgen over mijn angst tot vliegen.
Bovendien is vakantie aan mij niet besteed.
Intussen zeurt een ieder mij aan mijn kop over dat zonodige
‘teruggaan naar wat al is geweest’. Zelf speel ik
trouwens
regelmatig met de gedachte. Spelen alleen maar. Een Hollandse vriendin
nodigt mij regelmatig uit samen naar Indonesia te gaan. Ik zeg maar ja,
want ik kan immers geen neen zeggen. Mijn oudste dochter, die ervan
hoort, protesteert: “Waarom ga je niet met mij?” Ik
heb
vier kinderen, ieder op hun beurt en dan in koor: “Waarom ga
je
niet met mij?”
Naar ik vernomen heb, bevinden zich benoorden Jakarta een aantal
prachtige eilandjes. Prachtige stranden, kristalheldere zee,
vriendelijke godvrezende mensen, veel armoede en geen toerisme. Je kan
er met
een motorbootje vanuit Tandyong Priok heen varen. Misschien is het een
idee om dat huisje in Wierhuizen om te ruilen voor een plekje daar. Ik
zou bijvoorbeeld een reisverslag kunnen maken over die
’Duizend
eilanden’ voor ‘Archipel’. Zo sta ik vaak
te dromen
in de keuken. Want weer even thuis sta ik het beslag te maken voor
maiskoekjes volgens Nora.Knoflook, uitjes, wat soepgroenten alles
fijnhakken, 2 eetlepels bloem, 2 eieren, wat zout en peper en
ketoembar, eventueel garnalen daarbij, goed adoeken en bakken maar.
In een beter soort olie. En o ja, de djagoeng niet vergeten ja. Niet
met kolf en al natuurlijk, tjoba. Alleen de korrels van de versgeplukte
mais. Zalig. Die Hollandse vriendin, zij is wel lief hoor.
Indo’s van nu
Onlangs liet ik een oude jaargang van het tijdschrift
“Moesson’ al bladerend door mijn handen gaan.
Jaargang
1980. Verre van glossy. Eerder een geïllustreerd clubblad.
Misschien had die Moesson, begonnen als ‘Tong Tong’
destijds niet meer pretentie, dan een blad te zijn voor de club van
Indo’s in Holland. Een blaadje, want de eerste nummers ( Kan
dat?
Er is toch altijd maar één de eerste? ) waren 8
pagina’s dik. Tegenwoordig moet je als periodiek qua
uiterlijk
heftig concurreren met bladen als ‘Ouders van nu’.
’Indo’s van gisteren’ zijn er bijna niet
meer. Daar
zijn er trouwens door de eeuwen heen ook maar weinig van geweest. Aan
de buitenzijde volledig geïntegreerd, van binnen, adoe!
Indo’s zijn niet van gisteren, zij zijn over het algemeen
behoorlijk bij de tijd en met een fijne neus voor trendy leefstijlen.
Aan de buitenkant. Aan de binnenkant, adoe!. Buitengewoon glossy over
het algemeen, die Indo’s van vandaag. Van binnen echter leeft
nog
steeds dezelfde heimwee. Zoals je die in velerlei vorm tegenkomt in een
oude Moesson. Ook bij de jongste generaties, al heeft bij hun heimwee
dikwijls
een amoebeachtige nog wat wazige, weinig uitgekristalliseerde vorm.
Jeroen Klaassen is daarin een prachtige uitzondering. Zijn heimwee
zingt hij niet alleen uit, hij wijst tegelijkertijd duidelijk in een
richting van ‘hoe terug naar je roots’ als ik hem
terecht
reclame zie maken voor GarudaTv. Dat doet ook de groep Masada. Mooi.
Hulde.
Het tijdschrift ‘Archipel’, dat helaas dreigt ten
onder te
gaan in de race naar het meest glossy magazine, is eigenlijk de
papieren uitgave van GarudaTv. Een papieren tijger misschien, maar een
blad, waarin je net als
op GarudaTv een eigentijdse indruk krijgt van hoe en waarheen jouw
roots zich sinds de vijftiger jaren zich in Indonesia verder hebben
ontwikkeld.
Werd ik laatst gebeld door een redacteur van het computertijdschrift
’PC Plus’. Men wilde een interview met mij naar
aanleiding
van mijn website ‘Indo Wordart of The Lowlands’.
Nog altijd bereid om wereldberoemd te worden stemde ik gretig toe en
gaf een dijk van interview weg. Waarin ik nog eens onderstreep wat ik
eigenlijk met mijn website wil. De Plus van PC+ staat na enig onderzoek
via Googel voor 50+. Dat feit drukt mij weer eens met mijn neus op het
hart (hoe toch, deze?), dat ik niet meer tot de jongste generaties
gerekend mag worden. Heb spontaan en dapper ‘n abonnement
genomen
op dat blad.
Wat ik wil met mijn Tempo Doelloos website. Graag wil ik de jongere
generaties wat handvatten uit het verleden geven voor hun Indobeleving
van vandaag. En het liefst met wat humor. Die Moessons van vroeger
werden na de opgehouden bemoeienissen van Tjalie toch tamelijk saai,
vind ik. Zonder sombong te willen zijn, maar helaas ik kan niet anders,
wil ik af en toe toch errig leuk uit de hoek komen op mijn website.
Ijah, altijd al de leukste geweest thuis. Vind ik.
In 1959 telde het tijdschrift ‘Tong Tong”7000
abonnees. Het
tijdschrift was de barometer van het Indische denken in die tijd. Mijn
website wil anno 2006 de barometer zijn van het denken van de Indo van
nu.
Of zoals mijn onverbeterlijke zoon Pablo het zegt: “Ik denk,
dus ik ben Indowar”.
Masuk sadja
Ik ben een ijskouwe. Zal niet bij terugkomst in mijn geboorteland
mezelf verliezen in emotioneel ongerief als gevolg van lang vergeten
geuren, ofzo. Onzin. Ja maar, dat gebeurt onherroepelijk, wordt mij van
alle kanten verzekerd. Niet bij mij, njo. Bestaat niet.
Sinds 1950 op vakantie in Holland en opgegroeid in een gezin, waar mij
dagelijks op het hart werd gedrukt, dat ik ons Indië zo snel
mogelijk moet vergeten. “Dat land is niet meer van ons, het
is
ons afgepakt. Ze hebben het verkwanseld aan die
‘inlanders’, die er ongetwijfeld een zooitje van
zullen
maken”. Uit die woorden klonk ontgoocheling en bitterheid.
Wist
ik veel. Ik ben een ijskouwe.Mijn moeder is jong gestorven aan een
hersenbloeding, niet aan verdriet. Mijn vader hield de tanden op
elkaar. Tutup mulut. Een man van weinig woorden.
Al vroeg behept met puberaal oppositioneel gedrag, spaarde ik in de
jaren ‘50 in het geniep wel die mooie postzegels van
Indonesia,
kende alle ministers van de elkaar snel opvolgende Indonesische
kabinetten uit mijn hoofd. Sjarir, Bung Karno, Hatta, Subandrio, Ali
Sastro Amidjojo, Anak Agoeng Gedeh Agoeng. Dat klonk toch even anders
dan Janszen of Tilanus.
Toen ik Pa jaren later de vraag stelde of, als het helemaal
een hem had gelegen en hij geen rekening hoefde te houden met de
toekomst van zijn kinderen, of hij dan daar gebleven zou zijn, knikte
hij zonder aarzeling. Zag ik voor het eerst, dat die grote sterke man
kon huilen.
“Ik heb daar tenslotte ook veel familie
achtergelaten”, was
zijn argument.
Intussen heb ik Garuda tv op de buis en Archipel in huis, kan ik met
eigen ogen zien, dat die ‘inlanders’ toch ietsch
grootsch
hebben verricht in hun land. Een moderne natie, gericht op de toekomst.
Een jong en ambitieus volk.
Eens in de zoveel tijd bezoek ik
de Masuk sadja. Regelmatig terugkerende kumpulans in het gehele land
georganiseerd door de stichting Pelita. Amersfoort, Arnhem. Den Helder,
Nijmegen, Groningen, Amstelveen. Die gezellige bijeenkomsten, met zang,
dans en steeds maar weer dat lekkere eten, worden druk bezocht. Door
een al maar ouder wordend publiek. Sommigen al met krukken, weet je.
Maar overal blije gezichten. ‘Leuk, dat ik je weer
zie’
gezichten. In hun herken ik
het ‘optimisme tegen beter weten in’ van mijn ouwe
heer,
die zich zijn verdere leven hier dag in dag uit verbeten een weg zocht
naar zijn werk 15 km. verder. Door sneeuw, wind en regen. Kaken stijf
op elkaar om de neiging tot angstig klappertanden te verhullen.
Hij was een ijskouwe, die ouwe. Japans krijgsgevangene geweest. Dan
overleef je bijna alles. Hij moet toch wel eens hebben gedacht:
“Waar doe ik dit allemaal voor?”
Langzaam maar zeker,
een echte Indo hij, draaide mijn vader wat bij. Net hadden wij
besloten, dat hij en ik samen naar Indonesia zouden gaan, bleef hij
sodeju op een goede nieuwjaarsdag nota bene letterlijk in een niesbui.
Waar hij niet meer is uitgekomen. De artsen wisten niet wat de
overlijdensoorzaak was en vroegen toestemming voor nader onderzoek. Die
hebben wij geweigerd. Hij is niet overleden aan ingehouden woede of
ander verdriet. Bijna 80, wat wil je nou?
Binnenkort ga ik. Op bezoek bij de andere helft van mijn familie. En
als ik terugkom ga ik vertellen over hun en hun prachtige land, mijn
land. Nederland is anders ook wel mooi, hoor, En mijn Hollandse
vriendin best wel aardig.
Setinga mati
Televisie kijken is aan mij niet besteed. Doodmoe word ik ervan,
setinga mati. Moeheid bestaat niet, heeft een Groningse psycholoog
onlangs vastgesteld. Moe zijn is een gevoel, dat wordt opgewekt door
een gebrek aan motivatie. De man is erop gepromoveerd door uitgebreid
een kijkje te nemen in de menselijke hersenen.
Ik ben altijd geneigd geweest om psychologen met belangstelling voor
hersenen per definitie te wantrouwen.
Maar luister.
Tegenwoordig heb ik Garuda tv op mijn toestel. “The first
Indonesian tv channel in Europe”.
“Your window to Indonesia, window to your
heritage”. Geniet
ervan, kan er geen genoeg van krijgen. Niet alleen van de nadrukkelijk
dramatische producties, als Brama Kumbara, de Troon van Majapahit en
Borobudur, een mix van authentiek Hollands televisiedrama uit de jaren
zestig en hedendaagse soap. Er wordt vaak aandoenlijk in geacteerd, wat
onherroepelijk op mijn lachspieren werkt. Van een betere kwaliteit is
een soort volkstheater, dat doet denken aan het theater van de lach van
een paar jaar geleden hier. De humor is alleen stukken leuker en er
wordt spontaner in geacteerd door veelal jonge acteurs, die een
heerlijk zelfbewustzijn uitstralen. Die spontaniteit en dat
zelfbewustzijn van de jongeren verwarmen mijn hart. Zo ben ik niet
grootgebracht, denk ik dan met
de nodige spijt.
Culinaire uitstapjes naar alle hoeken van de archipel, vaak
visgerechten, doen me elke herhaling weer het water in de mond lopen.
Veel herhalingen inderdaad , geef neks, ik ben immers dol op vis.Veel
muziek natuurlijk, gepolijste kerontjong afgewisseld door Indonesische
popmuziek. Tranen in mijn ogen, als ik Yos Sahetapy & Group zie
spelen met op de achtergrond de baai van Ambon, waar ik als nog zwemmen
leerde van die kamponghond. Yos en de band zingen in hun beste
Nederlands ‘Meisje blijf op mij wachten’. Nangis
ik, maar
opeens niet meer moe.
Mozaik Indonesia en Archipelago zijn vanzelfsprekend mijn favoriete
programma’s met documentaires over ontelbare bezienswaardige
plekjes in het eilandenrijk en waarin ons een kijkje wordt gegund in de
talloze musea en galleries, die Indonesia blijkt te hebben. Aandacht
voor de traditionele dans en kunstnijverheden als, batik, zilver- en
goudsmeden, houtsnijwerk, noem ze maar op. ‘Oasis’
neemt
ons mee naar
de stad Jambi en verder het oerwoud in naar de stammen van de
‘Anak dalam’. In hun ‘Tweede
Kamer’ overlegt
men net zolang, tot iedereen het met elkaar eens is. De cultuur van die
Anak dalam maakt deel uit van
de Indonesische cultuur en ook een beetje van de mijne. Kan ik mij
verbeelden gelegen in mijn luie stoel. Ook ik ben geneigd net zolang te
onderhandelen, tot ieder het met me eens is. Minder gecharmeerd ben ik
van programma’s als ‘Design &
Decor’ of
‘Beauty & Style’ waarin wij kennismaken met
hedendaagse
Indonesische binnenhuisarchitectuur en haute couture. Boeiend. Ik red
het voorlopig wel met Hema en Dessertline of adventure.De meeste
programma.s zijn gelukkig ondertiteld, weliswaar op een dikwijls
abominabele wijze, maar ik verbeeld me, dat ik de hedendaagse
Indonesische taal steeds beter ga kennen. Van de andere kant wordt mij
duidelijk hoeveel woorden er overgebleven zijn uit het Nederlands. Als
ik een middle class echtgenote in
een kinderserie het woord ‘precies’ hoor gebruiken.
Motivasi, plester of soortgelijke elemen elemen belanda vliegen je om
de oren.
Met volle teugen geniet ik ervan, Garuda tv. Op den duur zullen wij er
voor onze dagelijkse culturele voeding helemaal op aangewezen zijn.
Onze ouders zijn inmiddels ver in de tachtig en weldra niet meer. Wij
zullen erop aangewezen zijn, als de pasar pasar malam hier in Holland
verder verwateren tot die saaie eenheidsworst nog net overgoten met een
smakeloos pindasausje. Wij zullen erop aangewezen zijn.
Indische cultuur, waar anders, wie anders en hoe anders?
Indische en Indonesische cultuur vinden we eens per jaar, waar anders,
in een tentenkamp op het Malieveld
in Den Haag. De Pasar Malam Besar. Buitenlandse toeristen zullen
misschien wel denken dat het hier gaat om een model
asielzoekerscentrum, maar dat mag niet bommen. Elk jaar hebben wij daar
weer een feestje. Want een feest is het elke keer weer. Je wordt er
ondergedompeld in het Indisch cultuurgoed van weleer en van vandaag,
vanzelfsprekend is er veel en overheerlijk eten in de eetwijken en je
loopt er gegarandeerd weer eens je familie tegen het lijf. Want je
familie, verre familie soms, woont in Limburg , in de Achterhoek van
Gelderland,op de achtergalerij van Noord Groningen,
waar maar. Lees daarover meer in ‘Gelders Blauw’,
Indisch
leven in de provincie. Tenminste eens per jaar echter zie je elkaar
weer, in de buik van
de weduwe van Indië,
Den Haag.
Een van de grondleggers van het fenomeen Pasar Malam is, wie anders,
onze onvolprezen Tjalie Robinson. Hij en een paar van zijn kornuiten
bekokstoofden in de jaren 50 het idee. Tegenwoordig struikel je
werkelijk over de Pasars Malams hier in Holland. Elke week vindt op
tenminste twee plekken iets plaats, wat zich Pasar noemt. Maar het
oorspronkelijke concept zoals dat zich al meer dan 40 jaar op het
Malieveld ontvouwt is van Tjalie. Het concept luidt: ‘De
Indische
cultuur, koste wat het koste, behouden en uitdragen’. De
organisatie van een dergelijk megafestijn is in handen van een
goedgeoliede machine. De boel is daardoor wel stukken
commerciëler
geworden in de loop van de tijd. Je betaalt je Indoblauw man, om er te
mogen staan met je Indische prullaria of om er toegang te verwerven.
Kwaliteit staat bij de PMB nog steeds bovenaan.
De rest van de pasars is in vergelijking daarmee ronduit bullshit. Op
een paar na, zoals de Pasar Malam Bali te Zwolle en Pasar Perron in het
juist gerenoveerde Spoorwegmuseum te Utrecht. Overal echter wordt Tempo
Doeloe je door de strot geduwd.
De tijd tikt onverbiddelijk verder en de meeste Indo’s van
het
eerste uur hier in negri belanda hebben inmiddels hun krontjonggitaar
al aan de wilgen gehangen. Indorock is met de vut gegaan. Waarom zou
een jonge Indo nog naar een Pasar Malam gaan? De jongste generaties
spreken de taal niet meer en hebben weinig of geen feeling met Tempo
Doeloe. En inburgeren? Inburgeren is volgens hun niet veel anders dan
‘leren eten met mes en vork, uit jouw neus’. Voor
hun is
tempo doeloe een gepasseerd station. Pasar Perron.
Zij zijn stuk voor stuk weldegelijk geïnteresseerd in hun
roots,
maar hebben toch meer met rapdance dan met tapdance. Een mooie blouse
van echt batik uit Jogja boeit hun niet. En om hun natuurlijke
interesse te kunnen vasthouden moet er misschien wel iets veranderen
aan het huidige concept, maar hoe anders? Hoe behoudt je de Indische
cultuur eigentijds, en hoe draag je die uit in dit tijdperk van
internet en pasarplaats.nl? De jonge Indo zal vroeg of laat op zoek
gaan naar zijn of haar roots. Ze zullen altijd een glimlach van
herkenning ronde de lippen krijgen, wanneer ze de taal van oma horen of
die taal terugzien op een T-shirt. Soms, soms zijn ze zelf zo creatief
om hun muziek, hun tekeningen of schilderijen, beelden en gedichten te
voorzien van een hedendaags Indische signatuur. Jazzgitarist Olaf
Tarenskeen gooit Indische noten in zijn muziek. Tjampoer adoek, of wat?
Niet te vergeten ook de Krontjong jazli van Kim Pendjol met haar band
‘Krontyoung’. Je Indische hart springt toch open
bij
zoiets? We komen ze ongetwijfeld nog vaak tegen, deze jongere
fakkeldragers.
Al bosan immers van Anneke Grönloh?
IndonesiaTrip2006
Op uitnodiging van het Indonesische ministerie van Cultuur mocht ik
afgelopen november met een dertigtal journalisten van over de hele
wereld een promotietour meemaken langs een aantal mooie plekken in
Indonesië.
Ik was er sinds mijn vertrek naar Holland in de jaren 50 niet meer
geweest.
Toen we landden op International Airport Sukarno-Hatta, zag ik een
Hollands landschap voorbijglijden, weilandjes, sloten, hier en daar een
boom, schuurtjes met rode pannendaken. Wellicht zo aangelegd in om
Batavia gelijkenis te gunnen met Holland. Door omstandigheden
arriveerde ik een halve dag eerder dan de anderen. Ik werd opgewacht
door een chauffeur, die de passagiers een papier voorhield met mijn
naam. Perfect. Ook de verdere Trip bleek perfect georganiseerd.
De taxi bracht me in een onbeschrijfelijke maar geoliede verkeerschaos
na een wilde rit bij hotel Borobudur. Onderweg las ik op de borden
namen, die mij bekend in de oren klinken. Kebon Jeruk, Kebon Siri,
Senèn, Menteng, Cikini, Tanah Abang, Glodok, Passer Baru.
Hotel
Borobudur is een 5 sterrenhotel ingericht in
een weelderige, koloniale Tempo Dulu stijl. De sprinklerinstallatie is
van glimmend koperwerk. Sprookjesachtig onwerkelijk. Men wilde ons een
beeld voorschotelen van Indonesië op zijn mooist. Dat is hun
gegarandeerd gelukt. Het begon met een welkomstdiner. Iemand van het
ministerie hield een speech. Later vroeg hij mij welke rang ik bij
‘Archipel’ bekleed. Was ik hoofdredacteur, of
adjunct? Ik
legde uit, dat ik freelancer ben en mij in het dagelijks leven verhuur
als psycholoog op een school. Daarmee had ik onmiddellijk zijn
sympathie gewonnen. Hij heeft ook psychologie gestudeerd, culturele
psychologie. Ja, dat kan tegenwoordig in modern Indonesië. Je
moet
het ijzer smeden, zodra het heet is, weet ik. Vertelde hem, dat ik een
dag langer op Bali moet blijven, omdat daarna pas mijn retourvlucht kon
worden geboekt. No problem. Al wilde ik nog een week langer blijven.
Overal om mij heen lookalikes van mensen, die ik in
de Indische gemeenschap van Holland ken. Wat men mij al voorspelde.
Zo’n beetje de gehele crew van de Pasar Malam Besar zag ik
voorbij komen. Voelde me meteen weer thuis.
Wat men mij ook voorspelde gebeurt niet. Ik geraak niet in tranen als
gevolg van lang vergeten geuren en kleuren. De stad stinkt gewoon, net
als Parijs of Rome. Naar vooral autogassen. Zou die sprinkler in het
hotel het werkelijk doen? Ben er niet echt benieuwd naar. Waarom ben ik
hier ooit weggegaan. De mensen zijn zo mooi.
Zelfs de jongens, de jongos. Behalve het meisje, met haar tempo dulu
knipmesmotoriek, dat bij de ingang
de deur voor je open houdt, zie ik vooral vastberaden, ambitieuze
mensen de wereld hier draaiende houden.
Op een manier, die mij met een zekere trots vervult. Trots? Wat is hier
aan de hand? Heb ik mij al die jaren laten misleiden door het
vooroordeel, dat “die Indonesiers, er ongetwijfeld een zootje
van
zouden maken”.
Een uitspraak van mijn vader in 1950. Die eerste avond geslapen als een
karbouw. Jonge obers, zo weggelopen uit een schilderij van
modderbadende karbouwen onder het toeziend oog van een Javaanse jongen.
Ik geniet van
het ontbijt met veel koffie, in de verte een waringin. Dat ik hier ooit
ben weggegaan.
De trip begon met een rondrit door Jakarta. Wij werden gereden langs
het presidentieel paleis, het nationaal Museum, het Nationaal monument,
de kerk aan het voormalige Wilhelminaplein, waar ik ooit met mama
kaarsjes brandde voor mijn vader, die in Japan knijp zat. En
vanzelfsprekend Oud Batavia. De oude haven Sunda Kelapa is prachtig,
met de houten schoeners, de Bugis phenisi. De enig overgebleven vloot
ter wereld van zeilschepen, waarmee de Indonesische wateren louter op
windkracht worden bevaren. Zoals gezegd, men heeft van Batavia een
reproductie willen maken van Amsterdam, de Engelse brug, de Hollandse
brug, Molenvliet, de Chinese wijk Glodok. Ben je afkomstig uit India
dan woon je in Pasar Baru. Een museum is niet aan mij besteed. Heb er
hooguit twee foto’s gemaakt. De eerste noemde ik
’Mama,
kijk zonder handen’. De andere, een doodskop in een houten
foudraal, ‘Leuk voor op
de schoorsteenmantel. Altijd een voorouder binnen
handbereik’.
Jakarta bestaat 467 jaar. Veel is er in de ruim 50 jaar veranderd of
verdwenen. Veel is er bewaard gebleven, in een dikwijls gehavende
staat. De karretjes met heerlijkheden zijn er nog steeds, Soto ayam,
nasi campur, sateh babi. Overal Nederlandse woorden. Stroom accu,
bengkel knalpot. Er raast een vrachtauto voorbij. Ambeven is het
middel, aambeien de kwaal. Springlevend nog is de legendarische
levenswijze van de orang Betawi speels en soms schalks,
.“Mooi
zijn ze nog steeds de meisjes van Batavia. Glorie glorie glorie
gloria…”. Zodra ik weer in Holland ben, pak mijn
mondorgel
en speel dat liedje, zoals ik het tijdens de bezetting van mijn moeder
leerde, naast lezen, schrijven en rekenen. Tranen? Neen. Ik ben
een ijskouwe Na de lunch hup per binnenlandse vlucht naar Jogjakarta,
aan de voet van de Merapi. In Jogja begon voor Indonesië de
victorie, In Jakarta rijden geen becaks meer. Hier nog wel. Opnieuw een
5 sterren hotel. The Grand Mercure, lekker douchen. Vliegen is
inmiddels geen probleem meer. No problem. “No more fear of
flying, no more tears of crying”, Ze hebben in het hotel
stopcontacten als in Holland. Wat heeft een beetje journalist aan
elektronica bij zich tegenwoordig. Mobieltje, digitale camera, laptop.
Daarvoor is in hotel Borobudur een verloopstukje nodig. Om kwart voor 5
opgestaan. Ontbijten en dan hup in de aircoditioned bus naar Kaliadem
met als centraal punt de vulkaan Merapi. Ruïnes alom,
verschroeid
aarde. De niet vuurvaste bunker, waarin tijdens de laatste uitbarsting
twee vluchtelingen levend zijn verbrand. Hadden zij kunnen weten, maar
wat doet een mens in doodsnood. Even Buitenzorg bellen. De Indonesische
kijk op een dergelijk drama is “Het leven is nu eenmaal een
opeenvolging van lijden en ellendevorming. Om die reden immers, huilt
de baby bij de geboorte, krijgt nooit een lachstuip”. Als ik
weer
thuis ben, ga ik daar onderzoek naar doen. “Hoe vaak barst
een
pasgeborene wèl in lachen uit”. Op weg naar de
koffieplantage ‘Losari’ komen we steeds dichter bij
de
streken, waar mijn vader is grootgebracht. Ambarawa, Bedono, afslag
Magelang. In Magelang ontmoette een Belgische soldaat-boekbinder en
later legerbibliothecaris Victor Piette, ooit de Javaanse Sima. Hij is
mijn overgrootvader. En daar begint het, ik zie overal ooms en tantes
lopen. En mijn vader. Ik zag er een, die trekken van papa vertoonde,
welke ik altijd had beschouwd als juist Europees. Onlangs nog speelde
ik in een toneeluitvoering over Kartini, de eerste Indonesische
geëmancipeerde vrouw. Ik speelde haar vader, de sultan. Het
stuk
speelt zich af waar ik nu loop! Adembenemend. Station Abarawa. Ook een
spoorwegmuseum is aan mij niet besteed. De bergrit per stoomtrein naar
station Bedono, het hoogste punt, leverde onderweg wel prachtige
plaatjes op. Dan de Losari koffieplantage, mooi, mooi, mooi. Alweer
zo’n enclave van welvaart, overvloed en natuurschoon. Mijn
familie heeft geleefd op plantages.
Hier hebben zij gelopen, waar ik nu loop. Hebben zij tennis gespeeld.
Tranen? Neen. ’s Avonds de welkomst receptie van de
Conferentie
Ecotoerisme in hotel Cankringan, een schitterende omgeving. Lekker eten
in overvloed, met name de sate, die smaakt als die van mijn moeder.
Lekker eten en Javaanse dans. Jogjakarta is
het centrum van de klassieke Javaanse dans. Hier een immense groep
dansers. Drie dansen, waarvan er één
de heroïsche strijd tegen voormalig kolonisator Nederland
uitbeeldt.
De Ecotourism conferentie maakte in ieder geval duidelijk, dat het idee
lovenswaardig zijn. De natuur dient ontzien en de baten dienen ten
goede komen aan de plaatselijke bevolking. Het product heet
‘Avontuur’. De Engelse ambassadeur aan het diner
rond een
kampvuur in het regenwoud vond dit de belevenis van zijn leven, vooral
toen er hoog vanuit een boom een aap in zijn bord eten plaste.
Ecotourism, splendid! Kan ik als ecotoerist met de plaatselijke
bevolking baden in een kali op Bali? Net zoals Lady Di dat flikte onder
een waterval op het eiland Moio? Als je ervoor betaalt, is hier alles
te regelen.
Wij verlieten de conferentie voor een beklimming van de Borobudur
tempel in Magelang, een van de acht wereldwonderen gebouwd rond 800 na
Chr. Het gebeitelde stripverhaal over Boedha. Je nieuwsgierigheid naar
andere wereldwonderen verflauwt onmiddellijk. ’s Avonds
gegeten
bij de Prambanan tempel die in een zee van licht baadde. Vandaag zou
mijn vader 92 geworden zijn. De volgende ochtend, 05.00 uur, departure
to Den Pasar, Bali. No more fear of flying. Het derde hotel, Novotel
hotel te Benoa, is naar mijn smaak het gerieflijkste en meest
gastvrije. Na de lunch een bezoek aan GWK. “Aha", dacht ik,
“kan ik eindelijk mijn geld veilig wisselen”.
GWK staat hier op Bali echter voor een beeld van Garuda en de god
Wishnu, dat ooit met goud ( Kencana ) zal worden bekleed. Een beeld dat
uiteindelijk 197 meter hoog zal worden. Daarvan is inmiddels 17%
gerealiseerd. Het geld is tijdelijk op, mede door het ingestorte
toerisme. Snel naar Uluwatu, waar de tempel met de brutale apen is. Als
je niet oppast stelen ze je op een onbewaakt ogenblik zomaar je bril
van het hoofd, was de nadrukkelijke waarschuwing. Zo geschiedde.
Brutale apen en hanengevechten voor wat druppels bloed t.b.v. het
offeren.
Wat is de zee hier prachtig. Barong dans, met schitterende maskers en
krissen over de eeuwige strijd tussen goed en kwaad zonder ooit een
definitieve winnaar. Vandaag wint het goede. Prachtige kostuums,
amusante acteurs en dansers. Ajo, op naar Tampak Siring een
tempelcomplex, waar Sukarno een buitenverblijf liet bouwen.
Zag een boom met de reusachtige jeruk Bali. Lunch ergens bij Kintamani:
met in de verte de vulkaan Batur, gunung Batur, die in 1998 nog vuur
spuwde, aangrenzend een prachtig meer. Rond dat meer woont nog de
oorspronkelijke bevolking. Bali wordt nu grotendeels bevolkt door
verjaagde Hindoes van Java. Zij cremeren hun doden, om hen zo terug te
geven aan de natuur. De oorspronkelijke bevolking legt de overledenen
in het open veld. opdat ze door wilde dieren worden verwerkt. Een iets
andere manier van teruggeven aan de natuur. Daar hadden zij geen
denktank voor nodig. Een halve dag vrijaf. Uitgeslapen tot kwart voor
negen en van schrik uit mijn bed gesprongen. Zou er nog ontbijt zijn?
Ja hoor, ontbijt tot 11.30 uur. 12.00 uur lunch. Op naar Tanah Lot
een tempel, die bij vloed geheel door de zee is omringd. Lunch in Kuta,
waar de aanslagen plaatsvonden en meer dan 200 mensen omkwamen. Het
toerisme zakte daarna als kaartenhuis ineen. Een paar dingen zijn deze
reis moeilijk gebleven voor mij, onhandige toerist. Geld wisselen, het
water is hier niet om te drinken, mobiel bellen en internetten lukt
niet altijd even vlot. En toch ook de taal. Op zoek naar een
nagelknippertje, beland ik na veel navragen uiteindelijk bij een
manicure, die terwijl zij mijn nagels doet me en passant een massage
aanbiedt. Ik laat haar gaan tot aan mijn schouders en bezweer haar, dat
ze me niet mag kietelen. Zij kan er niet om lachen. Onkos 20 Dollar.
In Amerikaanse films staat een ieder, die een taxi nodig heeft, vaste
prik tevergeefs naar zo'n yellow cab te wenken Hier op Bali zijn de
taxi's blauw. Ze lonken in colonne naar je. Ook al leg je uit, dat je
om de hoek een afspraak hebt, ze willen je erheen rijden. Als je voet
bij stuk houdt, proberen ze met omfloerste stem
en ondubbelzinnige blik: "Want a woman? Or eh,massage?" Hoe leg je uit,
dat je geen massage wil? Van een taxichauffeur. Dan is de tour opeens
voorbij. Te snel. Iedereen gaat naar huis. Naar Singapore, Zuid Afrika,
Australië, China, Jordanie. Ik morgen pas. Tijdens het laatste
ontbijt duikt er een Chinese collega uit het zwembad op, hij komt aan
mijn tafeltje ontbijten. Per abuis doet hij zout in zijn koffie.
Aangezien hij geen Engels spreekt, regel ik nieuwe koffie voor hem. De
koffiejuffrouw meent, dat hij mijn zoon is. Komt een mens voor zulke
misverstanden naar zijn geboorteland?
Rest nog het ritueel 'uitwisselen van visitekaartjes'.
“Don’t forget me”.
De laatste kiekjes worden geschoten. Tranen bij het afscheid. Niet bij
mij, Samen met Peter, die toevallig zojuist op Bali is aangekomen,
bezocht ik Ubud, waar veel kunstenaars zich blijvend hebben gevestigd.
Het Bergen van Bali. Daarna nog wat kiekjes staande in de sawah. De
laatste prenten van dit emotionele bliksembezoek. Morgen naar huis. De
dame van de receptie wenst mij alvast het allerbeste en vaarwel. Morgen
is zij namelijk vrij. Ongelooflijk attent en aardig. Als ik in het
winkeltje van het hotel voor de laatste keer wat rondneus, vraagt de
juffrouw nieuwsgierig waar ik vandaan kom. Holland. Zij kijkt me
verbaasd aan, volgens haar kom ik uit Indonesië. Nadat ik het
uitleg, is zij gerustgesteld. Zij heeft nl. een Nederlandse buurman en
die heeft een geheel andere neus.
Hij heet Klaas. Toch niet Klaas Mulder? Zij slaakt een gilletje van
ongeloof. Jawel, de wereld is te klein. Wij zijn deze trip van hot naar
her gesleept. Plekken met een hoog toerismegehalte. Teveel tempels
gezien, stuk voor stuk echter zeer de moeite waard. Deze reis heeft een
verpletterende indruk op mij gemaakt en zal in mijn gedachten blijven
naijlen, totdat ik weer ga. Misschien is het verbeelding, ik voelde me
deze week regelmatig ontvangen als de verloren zoon. Dezelfde
koffiejuffrouw van gisteren begrijpt, dat de groep inmiddels vertrokken
is, maar dat ik nog een tijdje blijf. Als ik zeg, dat ik vandaag ook
vertrek, is zij teleurgesteld en wenst mij al het goede. Nee, geen
tranen. Een ijskouwe zij.
Om 12.30 precies een taxi om mij naar het vliegveld te rijden. Vertrek
van Den Pasar naar Kuala Lumpur, daarna nog 12½ uur vliegen
naar
Schiphol. Weer thuis. Adoe, heb helemaal geen last gehad
van heimwee, weet je?
*****
Roy Piette
E-mail:piette.roy@gmail.com
06 - 53448142