
Eens, lang gelee, zuchten de tijger, de kat
en de bok onder de slavernij van een brutale aap. Dat is
niet zo vreemd, want vergeleken met de slimheid van een aap, lijkt elk
ander dier oliedom.
Het huis van de aap ligt dicht bij het strand. Niet echt zijn huis,
maar van zijn poeslieve en toch strenge meesteres. Zij is al tijden in
geen velden of wegen meer te bekennen. Op zoek naar een geschikte
liefhebber zeker.
De aap bezit een werpnet, waarmee de dieren
doorgaans vissen gaan vangen. Alleen al, omdat zij
niet zouden weten wat je anders met een werpnet kan doen. Bongol
werkelijk, die lui. Aap heeft iets tegen uitslapen en wekt iedereen
voor dag en dauw. Waarna zij in ganzenpas naar een naburige baai
sjokken.
Meestal vangen zij meer vis dan nodig.Wat overblijft
wordt gerookt en op zolder gedroogd. Ze bouwen zo
een behoorlijke voorraad op. "Wie wat bewaart, heeft wat",
houdt Aap de anderen voor. Deze halen ongeïnteresseerd hun
schouders op en beklagen zich zwijgend over hun miserabel lot. Neen,
dan
de kangoeroe. Die is lekker op vakantie gegaan naar zijn land van
herkomst. De bofkont.
Op een keer, als de dieren, bij gebrek aan fantasie,
weer gaan vissen, hebben ze het er met elkaar over
of en wie van hun thuis zal blijven.Om op de gestaag groeiende voorraad
vis te passen.
De kat:"Laat mij maar doen, ik houd wel een oogje in het zeil."
Aap doorziet waarom de kat zo happig is op het karweitje, maar heeft
helemaal geen hoge pet op
van de gevechtskracht van een kat.
"Niet zo snel jij, kater. Op zolder ligt een boomstam. Probeer
maar eerst, of je die kan tillen en
op het erf kunt gooien."
Dat lukt de kat niet, maar hij krabt met
zijn nagels aan de boom en haalt er zulke grote stukken uit,
dat
Aap er versteld van staat. En na enig aarzelen er heilig van overtuigd
raakt, dat de kat weliswaar
de boom niet kan tillen, maar fel genoeg is om mogelijke indringers af
te schrikken.
De anderen gaan op pad. De kat likt verlekkerd zijn
baard. Hij staat net op het punt naar zolder te gaan, als er iets uit
het bos tevoorschijn komt. Een iets dat telkens wanneer het tegen een
boom stoot, deze krakend doet omvallen. Als dat 'iets' een rotsblok
voor de voeten krijgt, vliegt dat blok even later als een veertje door
de lucht. Het duurt een minuut of twee voordat de kat begrijpt, dat dit
geen mógelijke indringer is, maar eerder een onmogelijke. Er
is een heuse reus in aantocht. "Bestaat niet", zeg
je en toch werkelijk waar.
Als de reus de kat ziet, groet hij vrindelijk en
loopt ongegeneerd regelrecht naar zolder, koerang adjar. Regelrecht op
de lucht af, die daar hangt. Hij begint me toch een partijtje te
schransen. De kat doet intussen zijn uiterste best, de reus van zolder
te krijgen, maar het wil beslist niet lukken. Hele repen vlees scheurt
hij de reus uit zijn benen, van boven de dij tot voorbij de kuit, je
wil niet geloven. De alles verslindende kolos trekt zich er geen zier
van aan.
"Ga jij je gang maar", bromt hij met volle mond. "als
ik straks mijn buikje rond heb gegeten, reken ik met je af."
Eindelijk is de reus verzadigd. Hij draait zich op
zijn gemak naar de kat en geeft hem zo’ n geweldige mep, dat
hij weldra door de lucht vliegt en midden op de oceaan terechtkomt. Als
een kat ergens de pest over in kan krijgen, dan is het dat wel. Zo snel
als hij kan zwemt hij terug. Ver voor lunchtijd gelanceerd, bereikt hij
pas tegen zonsondergang de kust. Als een verzopen kat, daar is echt
niet veel acteertalent voor nodig, sluipt hij door het hoge zeegras
stilletjes naar huis. Hij is er nog maar net als de vissers terug
keren. Beschaamd doet de kat zijn verhaal. Alleen Aap kan zich daar
druk over maken.
De bok, die zo langzamerhand eindelijk een sik
krijgt, van elke dag weer vissen met een werpnet, biedt rap aan om op
het huis te passen.
De aap: "Niet te vlug jij, ouwe bok. Ben jij wel sterk genoeg
om die reus te bevechten? Probeer eerst maar eens die boomstam op te
tillen."
Alsof het een fluitje van een cent is, wipt de bok de boomstam op zijn
horens en danst er een tijdje mee
in de rondte, alvorens het gevaarte over zijn linker schouder met een
sierlijke boog naar buiten te werpen.
De waaghals.
Met een gerust hart laten de anderen hem achter en
gaan naar de baai. Om te vissen. De bok merkt aan zijn rug, dat hij
zich aan de boom lelijk heeft vertild. Overal voelt hij verrekte
spieren, waar hij zich niet eerder van bewust is geweest. Hij zou het
liefst even een Engelse brief schrijven.
Het duurt echter niet lang of de reus komt weer op
de proppen. Hij loopt regelrecht naar zolder, zonder zich een sikkepit
van de bok aan te trekken. De reus vreet nu alle vis op, alhoewel de
bok hem met zijn horens behoorlijk begint te verbouwen. Repen dengdeng
manis vliegen kwistig in het rond.
"Ga je gang maar" smakt de reus met volle mond, "als
ik strakjes klaar ben met eten, reken ik met je af.."
Hij veegt op een gegeven moment met de achterkant van zijn hand
bedachtzaam zijn mond en geeft ook de bok met dezelfde hand
zo’n onbedaarlijke mep, dat deze, weliswaar met een even
sierlijke boog, midden op de oceaan belandt. Op een onbewoond eiland,
nota bene.
De lancering van de bok vindt ver voor de middag
plaats, hij bereikt pas tegen het vallen van de avond weer vaste wal.
Alhoewel het hem iets meer moeite kost dan zijn voorganger, strompelt
ook de bok als een verzopen kat naar huis. Geen gezicht, werkelijk.
Daar komen juist de anderen aan. Geheel ontdaan doet de bok zijn
verhaal:
- "Deze keer heeft hij de hele voorraad opgegeten."
Daar is Aap opnieuw helemaal niet blij mee.
- "Laat mij anders morgen maar thuis blijven", biedt
de tijger aan. Deze keer heeft is Aap er het volste vertrouwen
in, dat Tijger sterk genoeg is om het tegen de reus op te
kunnen nemen en stemt toe.
Met weemoed denkt de ouwe bok in zijn bed terug aan
het onbewoonde eiland. Een waar lustoord vol
groene blaadjes. Honderden malse geiten met glimmende, volle uiers. Van
de kangoeroe heeft hij ooit begrepen, dat je op een onbewoond eiland
mooi kan dromen.
De dieren hebben de volgende dag nog maar net hun
biezen gepakt, of de reus komt weer aankakken.
Hij stoort zich niet in het minst aan Tijger en loopt, al aardig thuis,
linea recta naar zolder.Tijger probeert uit alle macht de reus,
werkelijk een boom van een kerel, op te tillen en op straat te smijten.
Tevergeefs. De reus houdt geen moment op met eten.
"Ga je gang , mompelt hij met volle mond,"als
ik dit zootje achter mijn kiezen heb, reken ik wel met je af."
Zodra de reus het schamele zootje vis met huid en
graat heeft verorberd, pakt hij Tijger losjes beet en
zwiept hem met een reuzenzwaai richting Indische oceaan.Dit gebeurt al
in de vroege ochtend, pas
tegen het vallen van de avond bereikt Tijger weer vaste wal. Niet lang
daarna keren de anderen terug.
Tijger moet bekennen, dat hij niet heeft kunnen verhinderen, dat de
voorraad tot nul komma nul is gereduceerd.
"Weet je wat? ", zegt Aap bedaard na een pijnlijke
stilte, "Laat mij morgen maar op het huis passen.
Ik zal hem krijgen, die reus van jullie."
De anderen vertrekken als gewoonlijk naar hun
dagelijks tijdverdrijf.Aap heeft het beetje vis van de vorige dag
buiten aan de waslijn gehangen. Hij stapelt wat hout en stookt een
vuurtje op.
Om ‘arang’ te maken en tegelijkertijd zijn
achterwerk te warmen.
"Morgenstond geeft kou in de kont", zegt een bekend
Toegoenees spreekwoord. Opeens daar is de reus:
-"Zeg Aap, wat ben jij mooi rood van achteren. Hoe krijg je
dat? Je bent daar zo rood als een kreeft.
-"Heel gemakkelijk, met dit hete hangijzer, zo... "
-"Dat moet je bij mij ook maar doen. Ik wil wel zo’n
derrière."
-"Mij best", antwoordt Aap.
Hij maakt een koud hangijzer heet, terwijl de reus
zich te goed doet aan de vis. Als het ijzer heet is,
stopt Aap het gloeiende stuk pardoes achter in de broek van de reus en
roept nog olijk:
"Opgepast, hete waar!"
Te laat voor de reus. De ongelukkige zet het als een kip zonder kop op
een lopen, richting put.
Aap is hem echter voor, terwijl de reus brult:
-"Aap je hebt me bedrogen! Wil je wel geloven, dat dit
verschrikkelijk pijn doet? Ik ga dood, geloof ik.
Wat voer je nu weer in je schild?"
-"Ik? Niets hoor, ik bewaak de put van mijn meesteres."
-"Ach, laat mij alsjeblief een bad nemen in haar put."
-"Dat zal helaas niet gaan, als mijn meesteres het merkt, ze
wordt boos."
De reus heeft te veel pijn, schuift de aap ruw opzij en springt zonder
zich te bedenken in de put. Het ijzer
dat aan zijn achterste geschroeid zit, sist en schuimt nog een hele
poos. Kasian werkelijk.
De reus overleeft deze marteling niet. Aap heeft
echter niet lang plezier van zijn schelmenstreek.
Zijn meesteres keert terug uit den vreemde. Met de een of andere
vreemde snoeshaan als haar liefhebber. Aap krijgt tot zijn groot
verdriet zijn oude functie van tuinjongen terug. De van jong geluk
stralende parelhalsfazant, met haar wereldvreemde doch werkelijk
liefhebbende snoeshaan, bevrijdt de andere dieren met onmiddellijke
ingang uit het miserabele slavenbestaan. Zij natuurlijk blij.
En wat gaan de oliedommen doen? Je raait nooit.
Ze gaan maar weer vissen. Werkelijk oliedom, zeg ik al. Vooral si
kantjil, het dwerghert. Valt me werkelijk tegen. Die heeft het hele
sprookje nota bene nog geen kik geven.
