
Heel lang geleden regeert koning Sindoeradja over
een rijk
op Oost-Java. Ken je hem? Niet? Dacht ik al. Daarom vertel ik je
dit verhaal. De koning heeft een gouverneur rondlopen , een
zekere Sidapaksa. Deze op zijn beurt heeft een wel heel bizonder
mooie vrouw rond lopen, Simah. De moeder van Sidapaksa is
poepjaloers op haar schoondochter en probeert haar zoon op
allerlei manieren tegen zijn jonge vrouw op te zetten. Dat wil
niet goed lukken, zodat de moeder ten einde raad maar gemene
listen gaat bedenken.
Zij vraagt de koning haar zoon een tijdje ver ver
ver weg
te sturen. De vorst willigt het verzoek graag in en zendt
Sidapaksa naar de berg Idjen. Met de opdracht er een zeldzame
bloem te gaan zoeken Volgens zeggen, zou de bloem, indien door
iemand gedragen, eeuwige jeugdigheid schenken. Nah, wie wil dat
nou niet! De radja wil de bloem aan zijn gemalin schenken. Zij
zeurt hem namelijk al enkele jaren aan zijn hoofd over opvliegers
kaalheid en ouder worden.
Sidapaksa bevindt zich nog niet in de positie een
opdracht van de koning te kunnen weigeren. Nu zijn vrouw
toevallig in blijde verwachting is, verzoekt hij zijn moeder voor
Simah te zorgen. Met een vriendelijk lachje om haar lippen, maar
met boze voornemens in haar hart, belooft zij dit te doen.
Nog geen dag na zijn vertrek wordt de gouverneur een
zoon
gebaard, een flinke, gezonde jongen. De kersverse moeder is in de
zevende hemel en dankt de goden feestelijk voor dit geschenk. Ook
de jaloerse schoonmoeder lijkt verheugd, zonder ook maar iets van
haar boze plannen te laten merken.
Op een dag, het is erg warm, bloedheet en het kind
slaapt
toch, besluit Simah in de rivier een bad te nemen. Op dit
buitenkansje heeft de valse vrouw gewacht. Zodra haar
schoondochter het huis heeft verlaten, tilt zij de kleine
'printil' uit zijn bed. Ze brengt hem naar een bocht in de
rivier, waar deze heel modderig is. Daar werpt zij de jongen
zonder te verblikken of te verblozen pardoes in de onwelriekende
blubber en snelt terug naar huis. Zogenaamd om te koken. In
werkelijkheid wacht zij handen wrijvend de terugkomst van haar
schoondochter af.
De niets vermoedende Simah vraagt zich verbaasd af,
of
iemand haar kind misschien naar een koelere plek heeft verlegd.
Met aanzwellende angst om het hart loopt ze van hot naar her,
tevergeefs. Geen kind. De jongen moet wel gestolen zijn, maar
door wie? Zij vraagt een ieder om raad, niemand kan haar helpen.
Kasian werkelijk. Zielig.
Zo zoetjes aan wordt het haar duidelijk, dat ze haar
zoon
nooit meer terug zal zien. Het moeilijkste vindt zij het, bij
thuiskomst haar man de vreselijke tijding te vertellen. Door
groot verdriet en bodemloos getob geplaagd, wordt zij tot
overmaat van ramp tenslotte zo ziek, dat ze het bed niet meer kan
verlaten.
Intussen zoekt Sidapaksa onverdroten naar de
legendarische bloem. Hij moet talloze hindernissen, reuzen en
drakonen overwinnen, om de top van de berg te bereiken, maar laat
zich door niets en niemand afschrikken. Neemt nauwelijks de tijd
om iets te eten en vermagert zo doende zienderogen.
Tenslotte vindt hij na twee jaren speuren wonder
boven
wonder de zeldzame bloem, verscholen onder een overhangende
rots.Met trillende vingers graaft Sidapksa de zeldzame bloem uit
en bergt deze zorgvuldig weg in zijn botaniseertrommel. De radja
is in zijn nopjes. Hij beloont Sidapaksa vorstelijk en benoemt
hem tot plaatsvervanger voor het leven in alle bestuurlijke
kwesties. Dat laat deze zich niet twee keer zeggen.
Sidapaksa spoedt zich naar huis en wordt al in de
voorgalerij door zijn moeder opgewacht. - "Ik heb
slecht nieuws voor je jongen", zegt ze met een gemaakt bezorgd gezicht.
"Ik heb je altijd al voor die vrouw gewaarschuwd, maar je wil
niet luistren. Nu is het te laat, want ze heeft een verschrikkelijke
misdaad begaan".
- "Wat is er in hemelsnaam gebeurd?", vraagt de gouverneur
met onbestemd bange voorgevoelens.
- "Luister, nog geen dag na je vertrek baart zij je een zoon.
Ik moet toegeven een pracht van een jongen met wie ik meteen erg
ben ingenomen. Maar nog geen week later, ik heb nog niet eens een
naam voor het mormel kunnen bedenken, heeft zij het kind in de
rivier geworpen. Zo. Nu weet je pas wat voor een boosaardige
vrouw je hebt getrouwd. Ze doet nu alsof ze erg ziek is, maar
laat je alsjeblief niet door haar om de tuin leiden".
Terwijl ze dit allemaal bij elkaar liegt, biggelen
er
waarachtig twee dikke tranen over haar wangen. Krokodillentranen.
Sidapaksa kan zich niet voorstellen, dat zijn eigen moeder hem
iets zou voorliegen. Woedend rent hij naar de slaapkamer, waar
hij zijn vrouw in bed aantreft met een zak ijswater op het
voorhoofd.
- "Vervloekte, gemene vrouw", brult hij, terwijl hij
zijn kris uit de schede trekt, "waarom heb je ons kind
verdronken?!"
De ongelukkige Simah barst naar behoren in snikken uit.
- "Hoe kun je zo'n duivelse leugen geloven? Ons kind is het
dierbaarste wat ik bezit. Welke moeder is zo slecht, dat zij haar
eigen kind kan doden? Als jij me ombrengt kleeft er onschuldig
bloed aan je vingers. Breng me liever even naar de bocht van de
rivier dan ik zal je mijn onschuld bewijzen".
Sidapaksa laat de opgeheven hand, waarin hij de kris houdt,
langzaam zakken. Zijn woede ebt weg. Hij wil maar al te graag
zijn vrouw de kans geven haar onschuld aan te tonen.
Omdat Simah te zwak is om te lopen draagt hij haar
naar de
rivier. Daar legt hij haar zacht neer en zegt:
"Bewijs nu maar dat je onschuldig bent."
Zonder een woord en zonder aarzeling werpt de vrouw zich met een
plons in het modderige water, waarin zij onmiddellijk wegzakt.
Zoals ook met haar kind is gebeurd.
Sidapaksa gooit zich verbouwereerd in het zand en
huilt
tranen met tuiten:
"God zal me lief hebben. Wie kan mij nog de waarheid
vertellen? Hoe zal ik ooit weten of zij werkelijk schuldig is aan
de dood van mijn zoon?"
Dan gebeurt er een wonder. Uit het vuile stinkende
water
rijzen twee prachtige bloemen omhoog, rank en bekoorlijk als de
borsten van Tina Turner. De ene iets groter dan de andere, beide
bewogen door een zacht briesje. Zodat het lijkt alsof ze autonoom
leven. Ze verspreiden daarbij een ongekend heerlijke geur. De
grote bloem wendt haar kelkje naar de gouverneur en zegt:
"Lieve Sidapaksa, kijk naar de bloem naast mij. Het is ons
kind, dat ik op de bodem van de rivier heb gevonden, zoals mij
vannacht in een droom is geopenbaard. Hij zal je zeggen wie hem
zo genadeloos heeft verdronken."
Daarop zegt de kleinere bloem met heldere stem:
"Lieve vader, de ware schuldige is uw eigen moeder. Zij heeft
mij opgenomen en in de rivier verdronken. Maar nu ik mijn moeder
terug heb gevonden, ben ik weer gelukkig. Wij zullen nimmer van
elkaar scheiden. Leef wel."
De bloemen lijken elkaar vervolgens te omstrengelen en verdwijnen
onder het wateroppervlak.
Men heeft de bloemen geen tweede keer waargenomen.
Maar een ieder die sindsdien in de rivier gaat baaien, wordt steeds
weer aangenaam verrast door de bedwelmend heerlijke geur van het water.
Men noemt de stad in de bocht van de rivier dan ook 'Banjoewangi',
welriekend water. Men kan er vandaag de dag nog steedshet verhaal van
Sidapaksa en Simah horen vertellen. En de vreselijke schoonmoeder?
Die verslikt zich in haar laatste betelnoot. Net
goed.
